Home / Weblog / Jaap Groen

Jaap Groen

Lees de complete weblog hier: http://groenvoorlitindo.blogspot.com

 

24-11-2012 18:24

Jakarta, 23 november 2012

Uitgerekend vanmorgen verslaap ik me, op de laatste dag van mijn verblijf in Jakarta. Balen! Het wordt dus echt een eindspurt, deze laatste dag van mijn verblijf in Jakarta, een race tegen de klok. Snel nog even dit, snel nog even dat, taxi in, taxi uit, nog een paar laatste gesprekken, koffer inpakken, en voor ik het me goed realiseer zit ik in de taxi op weg naar het vliegveld. Dan gaat het opeens allemaal in slow motion. Het verkeer zit weer eens helemaal vast. Er zijn demo’s in de stad, werknemers zijn ontevreden over werkgevers die het (onlangs verhoogde) minimum loon weigeren te betalen, en we zijn gedwongen een omweg te nemen. Terwijl we met horten en stoten voortkruipen over de tolweg, zie ik Jakarta aan me voorbijschuiven. Een dreigende lucht hangt boven de stad. De regentijd is begonnen, en elke dag valt in zware onweersbuien het water bij bakken uit de lucht.

Een dreigende lucht. Symbolisch? Begin deze week spreek ik met iemand in Salatiga over de politieke situatie in dit land. Men is teleurgesteld in SBY (Susilo Bambang Yudhoyono, de huidige president van Indonesië). Als minister deed hij het prima, en men had hoge verwachtingen, maar nu strijkt hij alles glad en probeert alleen maar alles te sussen, zonder dat er iets opgelost wordt. Er broeit onvrede. Het duurt nog bijna twee jaar tot de volgende presidentsverkiezingen, maar nu al wordt er gespeculeerd over een mogelijke opvolger. Velen hebben hun hoop gevestigd op de nieuwe gouverneur van Jakarta, Joko Widodo. Tot voor kort was deze nog burgemeester van Solo, en heeft hij voor die grote stad op Midden Java ontzettend veel goeds gedaan. Als hij het nu in Jakarta ook goed doet… Maar de extremistische vleugel van de Islam moet ook in de gaten worden gehouden. Hoewel in getal klein, heeft deze groepering veel invloed. SBY is mee dankzij hen aan de macht gekomen, en moet voortdurend rekening met hen houden. Dat is ook hun strategie: belangrijke functies in handen zien te krijgen, dan heb je als minderheid uiteindelijk toch de macht.

Het streng Islamitische Aceh, in het uiterste noorden van Sumatra, heeft als enige provincie van Indonesië de Shariah-wetgeving. In de periode na de tsunami werd dit gebied overspoeld door allerlei hulporganisaties. Nu zijn die vrijwel allemaal vertrokken, vaak ook gedwongen: organisaties met een christelijke zendingsdrang zijn hier niet welkom. Toch is de MAF er nog steeds aanwezig, en heeft (onder de zegen van de Heer) in de afgelopen jaren een ook door de verschillende Islamitische overheidsinstanties gewaardeerde plaats verworven. In Jakarta bezoek ik Justin en Corrinne Koens; Corrinne is een dochter van de Canadese zendeling Henry Versteeg, die in dezelfde tijd als wij op Papua werkte, en Justin is de vertegenwoordiger van de MAF in Jakarta. Maar recent namen ze drie maand waar op de MAF-basis in Aceh. Verwonderd luister ik naar hun enthousiaste verhalen. Op Papua vliegt de MAF voor kerk en zending. Is dat in Aceh geen mission impossible? Daar is geen zending, en de kerk mag niets doen. Inderdaad, zegt Justin, maar omdat de overheid ziet dat ze echt geven voor de mensen, willen ze graag dat MAF daar blijft, ook al weten ze natuurlijk best dat het christenen zijn. Anders dan op Papua, is de MAF hier zelf de hulpverlenende instantie. Ze willen dat vooral in medische richting zien uit te bouwen. Maar ook krijgen veel jongeren een technische training in hun hangar. Het is een vorm van incarnational living: aanwezig zijn, je vereenzelvigen met de mensen, in je hele leven een voorbeeld zijn, en zo het licht van Jezus laten stralen in deze islamitische wereld.
Het is wel een heel ander verhaal dan wat één van de deelnemers aan de conferentie in Salatiga vertelde van zijn kerk in die regio: “we mogen niets doen, en dus doen we ook niets,” en die dat probeerde te verdedigen met een dualistisch verhaal dat het solus Christus (buiten Christus geen zaligheid) alleen geldt binnen de eigen kring, maar dat we daarbuiten het pluralisme moet aanvaarden…

Niet overal in Indonesië is de Islam zo streng als in Aceh. Net zoals er bij het christelijk geloof het gevaar dreigt van vermenging van Christelijke en heidense elementen, kent ook de Islam haar syncretisme. Zo is op Midden-Java de Islam sterk beïnvloed door de Javaanse cultuur, en draagt daardoor een heel eigen karakter, vertelt ibu Wati, als ik haar op de laatste dag voor mijn vertrek nog even een bezoek breng (zij controleert onze boeken op correct taalgebruik).
De Javaanse Islam is veel minder fanatiek, en wordt gekenmerkt door oude Javaanse mystiek en waarden die komen uit de het vroegere Hindoe-Boeddhistische geloof, en wortelen in de Javaanse kosmologie. Men is zich sterk bewust van geesten en goden die ons omringen, van mysterieuze bovennatuurlijke krachten die het leven bepalen, en die ongeluk brengen als je niet de goede voorzorgen neemt. Ook het gebruik dat men de derde, zevende, veertigste, honderdste, en duizendste dag na het overlijden in acht neemt, heeft te maken met het geloof dat de ziel pas na die datum tot rust komt, en desintegreert, of reïncarneert. Onder christenen kom je datzelfde gebruik trouwens ook steeds meer tegen.

Wat is cultuur toch een sterke macht in ons leven en denken. Wat worden we er door beïnvloed, vaak zonder dat we onszelf daarvan bewust zijn. Je krijgt het pas in de gaten als je voor langere tijd uit je eigen cultuur stapt, en in een heel andere cultuur gaat wonen en werken. Dat geeft je dan een culture shock. Maar de reverse culture shock (omgekeerde cultuurschok, als je terugkeert naar je eigen cultuur) is vaak veel heviger. Ook de SETIA-docenten die in Kampen studeren, en daarna weer terug gaan naar Jakarta, ondervinden dat. In Nederland is daar door de ervaring van jaren steeds meer aandacht voor gekomen. Maar in Indonesië is men met dat fenomeen praktisch onbekend. Yusup is nu al weer jaren terug in Jakarta, maar dit is de eerste keer dat hij erover begint hoe moeilijk die overgang was. Je bent niet meer dezelfde als vóór je vertrek. En dat wordt je ook nooit meer! Volgens Yusup houdt zijn breuk met SETIA ten diepste daar ook verband mee: daar hadden ze volgens hem totaal geen oog voor dit probleem.
De processen die bij die overgangen van de ene naar de andere cultuur een rolspelen, worden haarfijn uit de doeken gedaan door iemand als Paul Hiebert. Ik denk dat we ons meestal wel bewust zijn van onze eigen ervaringen op dat gebied, maar ons te weinig realiseren dat anderen daar natuurlijk net zo goed mee te maken hebben. Bij het plannen van opleidingstrajecten van Indonesiërs in het buitenland (Kampen, Canada, Australië) denken we vooral aan het profijt dat iemand van zo’n opleiding zou kunnen hebben, maar staan we vaak maar oppervlakkig stil bij de neveneffecten. We maken ons wel zorgen of iemand zich bij terugkeer wel weer aan de lagere levensomstandigheden zal kunnen aanpassen, maar denken volgens mij niet of nauwelijks na over de onvermijdelijke en blijvende effecten van de culture shock waar deze mensen doorheen gaan. Misschien hebben we er nog wel oog voor als ze hierheen komen, maar veel minder als ze weer terug gaan. Zoals onlangs een Edward Hanock, en binnenkort Naftali Arung en hun gezinnen…

Yusup is zoals gezegd al jaren weg bij SETIA. Hij is nu de directeur van de STT Paulus. Deze theologische opleiding ligt aan de uiterste zuidrand van Jakarta, net buiten de stad, in een landelijke omgeving van tuinen en sawa’s. Hij is hier aangetrokken om deze school (waar aan ook de huidige directeur van SETIA gestudeerd heeft) opnieuw leven in te blazen. Onder zijn leiding krijgt de opleiding steeds meer een gereformeerd karakter. Op zijn uitnodiging geef ik ook hier een seminar over mijn boek over belijdenissen.

Ook met Marianus, die tegelijk met Yurup in Kampen studeerde, heb ik nog een ontmoeting. We krijgen het over de conferentie over de Catechismus in Salatiga (zie vorige brief), en ik vertel enthousiast over de onverwacht positieve afloop. Maar hij reageert aanvankelijk behoorlijk sceptisch: wat komt daar uiteindelijk van terecht, en zullen die kerken werkelijk volgens die gezamenlijke verklaring zich nu opeens in gaan zetten om de Catechismus weer te gaan promoten? Nee, inderdaad misschien wel niet, moet ik toegeven. Maar is het onmogelijk? Deze bijeenkomst was toch op zichzelf al een wonder: kennelijk vinden deze mensen de Catechismus belangrijk genoeg om ervoor naar Salatiga te komen, ook al moesten ze daarvoor zelf de tickets betalen! En als de Heilige Geest nu eens inderdaad een nieuw begin wil maken, en een Reveil wil bewerken in kerken die wij in ons hart al afgeschreven hebben…

De file is intussen opgelost, en we rijden nu stevig door richting Bandar Udara Soekarno Hatta, de nationale luchthaven vlak buiten Jakarta. Mag ook wel, want de tijd begint op te schieten. Gelukkig heb ik al via het internet ingecheckt, en als we er zijn, kan ik vrij snel doorlopen.
En daar sta ik dan in de wachtruimte, klaar om aan boord te gaan van het KLM-toestel dat me terug zal brengen naar huis, bijna drie maand nadat deze reis is begonnen. Dat roept gemengde gevoelens bij me op. Drie maand zo intensief hier weer even mee mogen werken, op Papua, Timor, Sumba, Abon, Bali, in Salatiga, Jakarta – en daar dan zo abrupt weer uit te moeten stappen… Terug naar Nederland, weer verder werken aan nieuwe publicaties van LITINDO. Als er één ding weer opnieuw duidelijk is geworden op deze reis: hoe de Geest ons in LITINDO wil gebruiken, hoe dankbaar de kerken hier zijn met deze boeken, hoe groot de verwachtingen zijn die ze voor de toekomst van ons hebben. Daarom: hopen en bidden dat de kerken in Australië inderdaad mee gaan doen, en er straks ook mee verder kunnen gaan als wij er hier in Nederland een punt achter moeten gaan zetten.

Zaterdag gaan we Ellie Nieboer begraven. Wat heeft zij veel mogen betekenen voor de kerken op Papua. Iemand noemde deze onderwijskundige een moeder Theresa op educatief terrein. Ze schreef in de jaren ’60 het op Papua in brede kring nog altijd bekende en gebruikte ‘Rode Boekje’: een in rood kaft gebundelde serie Bijbelverhalen in heel eenvoudig Indonesisch, geïllustreerd met door evangelisten moeiteloos te reproduceren stoktekeningetjes. LITINDO is bezig dit boek een nieuwe bewerking te geven, om het opnieuw uit te geven, zo mogelijk voor heel Indonesië. Wie schrijft, blijft… Beter: haar werken volgen haar na.
Moge dat onder de zegen van de Here ook van ons werk in LITINDO gelden.
En voor uw en jouw werk, waar dat ook is en wat dat ook mag zijn: in de Heer niet vergeefs!

A Dieu, Jaap

STT: Sekolah Teologi Tinggi: Theologische Hogeschool
Paul G. Hiebert, Anthropological Insights for Missionaries (Grand Rapids, 1985).

24-11-2012 18:19

Salatiga, 19 november 2012

Een gebeeldhouwd reliëf laat een leeuw zien bij een lam. Ik denk even aan Jesaja 60. Maar nee, we zijn niet in een kerk: we staan bij één van de honderden reliëfs in de Borobudur, het Boeddhistische heiligdom uit de 8e eeuw op Midden-Java. Die afbeeldingen zijn een soort leerboek voor priesters en pelgrims: ze tonen de weg naar de verlichting, het nirwana. Die boeddhistische ‘hemel’ wordt uitgebeeld door de drie cirkelvormige bovenste niveaus van dit immense bouwwerk. Maar dit plaatje dat bij Jesaja de toekomstige vrede illustreert, vind je op één van de lagere niveaus, die aan de hand van het leven van Boeddha de fysieke wereld laten zien die je moet ontstijgen om in het Nirwana te komen. Als je goed kijkt zie je, dat de leeuw het lam verslindt. Op het volgende plaatje zie je hoe Boeddha in de vorm van een vogel de leeuw helpt als er een botje in zijn keel is blijven steken; maar in plaats van dankbaarheid te tonen, probeert de leeuw Boeddha op het laatste plaatje ook de vogel in zijn bek te nemen…

Ruim drie dagen lang praten we hier in Salatiga met elkaar over een ander leerboek: de Heidelbergse Catechismus, ter gelegenheid van haar 450-jarig bestaan. Op uitnodiging van de Christelijke Kerk uit Noord Midden-Java (GKJTU) zijn 59 afgevaardigden uit 24 kerkgenootschappen en 6 theologische opleidingen voor dat doel hier in Salatiga bijeen gekomen. Niet om langs deze weg los te komen van de fysieke werkelijkheid, maar juist omgekeerd: om te kijken of, en zo ja, hoe dit eeuwenoude kerkelijk leerboekje uit Duitsland kan dienen als leidraad voor het leven van Christenen in de culturele situatie van Indonesië anno 2012. De deelnemers willen hun leefwereld niet ontstijgen, maar juist als christenen daarin leven.
Die leefwereld is bij de deze conferentie vooraal hoorbaar duidelijk aanwezig: aan de overkant van het grote plein bij de kerk (en ons vergadercentrum) staat een moskee; en die donderdag wordt volgens de Javaans-Islamitische kalender Nieuwjaar gevierd, heel groots en met veel lawaai, met een urenlange optocht met veel muziek, die vlak langs ons vergadercentrum komt.

De opvattingen lopen aanvankelijk behoorlijk uiteen. Ook latere boeken uit het westen, met allerlei Bijbel-kritische opvattingen, hebben hun weg naar dit land gevonden, en het denken van de theologen hier beïnvloed. Maar toch vinden deze mensen de Catechismus kennelijk belangrijk genoeg om hierheen te komen en er een week voor uit te trekken. Soms met nadrukkelijke steun van hun gemeente: één van de afgevaardigden had een stergeval, maar de familie van de overledene vond deze conferentie belangrijker dan de begrafenis, en vond dat hun predikant daar toch maar heen moest gaan.

Hoofdspreker is emeritus prof. W. Verboom (Geref. Bond), die een drietal lezingen houdt over het ontstaan en de inhoud van de Catechismus, over welke plaats de Catechismus nu heeft in de kerken, en over de actualisering van de Catechismus.
Van dat laatste worden een paar voorbeelden gepresenteerd: de eigen belijdenis van de Torajakerk (geformuleerd in 1981), en het Supplement bij de Catechismus, opgesteld door de GKJTU. Over elke lezing wordt stevig gediscussieerd, en ook in de wandelgangen en slaapkamers wordt lang nagepraat.
Het gaat ook over de context van de pluraliteit van de Indonesische samenleving, en de invloed van de oude adat.

Ook onze zusterkerken zijn goed vertegenwoordigd: ds. Korop van Papua, samen met Oktovianus van de Ceveo; ds. Acong van Kalimantan; ds. Melki Bulan van Rote, Edward Hanock (net terug uit Kampen). Ds. Pila Njuka uit Sumba mag zelfs een bijdrage leveren.
Naarmate de conferentie vordert klinken er gaandeweg meer waarderende woorden over de Catechismus. “De Catechismus import vanuit het Westen? Dan is de Bijbel zelf ook import!”, klinkt het in één van de besprekingen. En aan het eind wordt er een slotverklaring opgesteld, waarin de deelnemers aan deze conferentie verklaren vast te willen houden aan het sola fide, sola gratia, sola scriptura, en solus Christus; en ook aan de erfenis van de Vroege Kerk en van de traditie van de Reformatie, zoals de Heidelbergse Catechismus, het systeem van een presbyteriaal-synodale kerkregering, en de kenmerken van de reformatorische liturgie. En ze spreken met elkaar af die erfenis in de diverse dimensies van hun leven en werk nieuw leven in te gaan blazen en te actualiseren. Daarvoor zullen er commentaren, modules, en andere materialen moeten worden ontwikkeld bij de Catechismus. Ook moet de leer van de Catechismus een plaats krijgen in het curriculum van de theologische opleidingen van de betreffende kerken.

Ambitieuze voornemens van een zeer gemêleerd gezelschap: eenvoudige predikanten uit afgelegen streken met weinig opleiding, en gepromoveerde theologen. En ze komen werkelijk overal vandaan: van Nias, Sumatra, Kalimantan, verschillende streken van Sulawesi, Java, Ambon, Sumba, Kupang, Papua… “Ik dacht dat wij de enigen waren die de Catechismus nog belangrijk vonden, maar nu zie ik dat de Here zich in Indonesië nog 7000 bewaard heeft die dat ook doen!”, zo spreekt één van de deelnemers zijn verwondering en dankbaarheid uit. Hij is docent dogmatiek aan één van de theologische opleidingen in Jakarta (de STTRII), en een paar maand geleden in Grand Rapids gepromoveerd op een studie over de Heilige Geest in de Gereformeerde Belijdenisgeschriften.
Pila Njuka noemt in zijn referaat deze conferentie een historic event. En dat is het ook. Nooit eerder kwamen vertegenwoordigers van zoveel kerken en instellingen hier in Indonesië bijeen om over de Catechismus te praten. En er gebeurt hier iets deze dagen! Mensen van wie we het nooit verwacht hadden, scharen zich op de laatste dag toch unaniem achter deze verklaring, die de Catechismus weer een centrale plaats wil geven. Om stil van te worden. Hier is de Geest aan het werk!
Volgend jaar willen ze in Rantepao opnieuw bijeenkomen voor een vervolg van deze conferentie. Het begin van een reveil? In elk geval het begin van een netwerk van kerken en instellingen, die elkaar op basis van de beginselen van de Reformatie herkennen als Reformatorische Christenen.

Zondagmorgen horen we hier in de kerk een prachtige preek over zondag 10. Die middag gaan we naar een speciale dienst. In een klein dorp tegen de helling van de Merbabu komen we onder een tentdak samen op de bouwplaats, waar een vormingscentrum zal gaan verrijzen voor christelijke karaktervorming, waarbij ook de oude Javaanse waarden (zoals gastvrijheid) een plaats moeten krijgen.
In de preek wordt stilgestaan bij Psalm 127:1 (Als de Here het huis niet bouwt…) en bij 1 Kor. 3:11 (Een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen).

Na de dienst wordt op een symbolische manier het ‘werk’ begonnen door het aanbreken van een rijstpunt. Daarna worden een aantal personen uitgenodigd om aan de voet van een van de betonnen funderingen van het gebouw een brok natuursteen te metselen. Ook wij worden gevraagd, en na ds. Poldervaart (GZB) en prof. Verboom mag ik als vertegenwoordiger van LITINDO en EUKUMINDO eveneens een steentje bijdragen. Voor het eerst dat ik zoiets doe op zondag. Normaal gesproken gaan we in Nederland op zondag niet aan het metselen. Ook eerste stenen van kerken plegen wij door de week te leggen. Maar waarom eigenlijk niet op zondag?! Want wat is dit mooi! Zoals Verboom het uitdrukt: dit is geen concessie, maar confessie! Geen afbraak van de zondagsrust, maar een prachtig getuigenis, ook naar het islamitische deel van de bevolking van dit dorp. Een belijdenis van God als de Heer van héél het leven, heel concreet. En op dit fundament gaan ze nu morgen verder bouwen!
Als we na de gezamenlijke maaltijd - die vorm van gemeenschapsbeleving hoort er hier in Indonesië helemaal bij! – weer terug rijden naar Salatiga, zijn we nog vol van wat we gehoord en beleefd hebben. Wat een rijke zondag!


Vanmorgen hebben we afscheid genomen van de broeders en zusters van de GKJTU. Wat zijn ze dankbaar en blij voor de samenwerking met GZB, met EUKUMINDO (die deze conferentie gefinancierd heeft), en met LITINDO. Er is de laatste jaren een hechte band gegroeid tussen deze kerken en LITINDO. “Wilt u onze dank en de hartelijke groeten overbrengen aan LITINDO en aan uw kerken in Nederland? En we nemen geen afscheid, want we hopen LITINDO hier weer te zien!” Wat mij betreft kunnen ze daarop rekenen. LITINDO is maar niet een vertaalproject, en uiteindelijk gaat het er niet om zoveel mogelijk boeken op de plank te krijgen, maar om al die mensen te bereiken in Indonesië. In onze eigen GGRI, maar ook in zoveel andere kerken, zoals de GKJTU hier op Java. En de GPIL op midden Sulawesi (Palopo), en de GMIM (Minahasa, noord Sulawesi), die deze week naar mij toe kwamen om advies en hulp te vragen, omdat ze zo graag reformed willen zijn, of opnieuw willen worden, en daarvoor hun hoop ook op ons hebben gevestigd. Dáár doen we het voor, dáár is het uiteindelijk allemaal om begonnen, dáár hebben we vanaf het begin van LITINDO ook voor gebeden. En wat wordt je stil, en blij, en dankbaar, als je dan hier voor ogen ziet hoe de Here die gebeden verhoort!
Met de laatste zin van de slotverklaring van de conferentie: Moge Christus, de Koning van de Kerk, al onze inspanningen zegenen en leiden!

A Dieu,
Jaap

EUKUMINDO: internationaal overleg platform van kerken en instanties in Europa die contacten hebben met kerken in Indonesië.

24-11-2012 18:17

Denpasar (Bali) 12 november 2012

Op 20 april 1621, de dag dat na het 12-jarig bestand de tachtigjarige oorlog werd hervat, vertrok van de rede van Texel een vloot van de VOC, waaronder de Leeuwin, op weg naar Batavia, het tegenwoordige Jakarta. Het was een schip van 400 ton, en had bij vertrek tussen de 150 en 250 koppen aan boord. Hoe de reis precies is verlopen, weten we niet, want het logboek is verloren gegaan, maar na een lange reis, waarbij de Leeuwin het contact verloor met de andere schepen, kreeg het in maart 1622 eindelijk land in zicht. Het was een onbekende kust, en bijna leed de Leeuwin er schipbreuk. De kust werd in kaart gebracht, en daarna vervolgde het schip zijn tocht naar Batavia, waar het op 15 mei aankwam. Een paar jaar later verscheen het aangezeilde land op een zeekaart als het land van de Leeuwin, de uiterste zuidwesthoek van Australië, waar Indische en Antarctische oceaan elkaar ontmoeten. Een later op het lichtbaken op Cape Leeuwin aangebrachte plaquette houdt de herinnering aan dit Hollandse aandeel in de geschiedenis van dit land nog altijd levend.

Als wij er zijn, rondt een groot cruiseschip de kaap, terug van een tocht door de Indonesische archipel, op weg naar Albany en Melbourne. Eén van de opvarenden was net in Perth van boord gegaan: een Nederlandse immigrant uit Katwijk met wortels in Urk, die hier zijn hele leven als visser gevaren heeft, in het begin zelfs met een originele Urker kotter. Nederlanders leveren ook nu nog altijd een actief aandeel aan de ontwikkeling van dit land. Allerlei uit Holland geïmporteerde producten zijn hier dan ook verkrijgbaar, zoals hagelslag, en senseo. Omgekeerd eten wij in Nederland brood dat in veel (de meeste?) gevallen gebakken is van graan uit Australië.

Het is boeiend om hier een paar weken rond te kijken. Het eerste wat mij opvalt is de enorme ruimte. Ons land past 15x in de provincie West Australië, maar er wonen hier slechts 2,5 miljoen mensen, waarvan 1,5 miljoen in Perth en omgeving. De zuidwesthoek – het land van de Leeuwin - , ongeveer 2x zo groot als Nederland, telt slecht 50.000 inwoners (inclusief Albany). Men bouwt dan ook in de breedte, en niet in de hoogte: behalve in de city van Perth zijn haast alle huizen vrijstaand en gelijkvloers, op een paar nieuwere woonwijken na (vooral langs de kust) waar je huizen van twee verdiepingen ziet, en de percelen ook duidelijk kleiner worden. Gevolg is dat iedereen zich hier altijd met de auto verplaatst. Fietsen zie je hier praktisch niet, en lopend naar kerk gaan komt op een enkele uitzondering na niet voor. Rond de kerkgebouwen zie je dan ook enorme parkeerterreinen.

Omdat de mensen hier zo ver van elkaar wonen, hebben ze ook veel minder frequent contact met elkaar, of met hun buren, dan in Nederland doorgaans het geval is. Met de auto kom je onderweg geen mensen tegen om een praatje mee te maken, zoals wanneer in Wezep naar het winkelcentrum wandelt. Ook de jongeren zullen weinig contact hebben met leeftijdgenoten van andere kerken: ze doorlopen tot en met grade 12 (in Albany grade 10) de eigen John Calvin scholen. Ongetwijfeld iets heel waardevols! Vóór de ontzuiling hadden we in Nederland een vergelijkbare situatie. Ik zelf kwam pas op de Wycliffe-cursus in Engeland (dus na mijn studie in Kampen) voor het eerst in aanraking met anders-kerkelijken. En dat waren dan ook nog allemaal orthodox georiënteerde evangelicals. En wie in ons geseculariseerde westen een andere studie ging volgen, had die ervaring natuurlijk al veel eerder, en ongetwijfeld nog meer confronterend. Hier in Australië is de samenleving waarschijnlijk niet minder geseculariseerd. Maar naar mijn indruk heeft mede door het gebrek aan dagelijkse ontmoetingen met mensen uit andere kerken, en de afwezigheid van andere kerken van een gereformeerde signatuur (zoals we dat in Nederland wel hebben), de geïsoleerde positie van de Nederlandse emigrantengemeenschap zich tot nu toe vrijwel onveranderd kunnen handhaven.

In zekere zin lijkt het dan ook alsof de tijd hier heeft stilgestaan. De in de 50-er jaren uit Nederland meegebrachte gereformeerde erfenis werd en wordt gekoesterd als een kostbaar bezit. En dat is het natuurlijk ook! Maar de tijd heeft natuurlijk niet echt stilgestaan. Ook niet binnen de 11 gemeenten die hier in de afgelopen 60 jaar ontstaan zijn uit de eerste gemeente in Armadale. De Angelsaksische karakteristieken van de Australische samenleving hebben ook het leven van de Hollandse emigrantengemeenschappen beïnvloed. Dat valt meteen op als je de schooluniformen ziet. Je merkt het uiteraard in de taal (maar weinig 3e generatie immigranten spreken of verstaan nog de taal van hun grootouders), en in bepaalde omgangsvormen. En net als bij ons kennen ze ook hier de schrijnende gevallen van kinderen die De Weg kwijtraken en de kerk de rug toe keren. En menselijkerwijs gesproken zal dat in de 4e en 5e generatie alleen maar erger worden. Als je het handboekje van de kerken hier doorbladert, kom je vrijwel uitsluitend Nederlandse familienamen tegen. Het is een homogene gemeenschap. Maar voor hoelang nog?

Als één ding duidelijk wordt als je hier om je heen kijkt, is hoezeer de Nederlandse en Australische kerken elk hun eigen ontwikkeling hebben gehad. In Australië een ontwikkeling van conserveren en doorgeven van de erfenis, in de beschermde rust die de kerken hier tot nu toe gegeven is; in Nederland een ontwikkeling van nadere verantwoording en concretisering van die erfenis in de turbulente tsunami van secularisatie die ook over onze kerken heen golft. Eén en hetzelfde Evangelie wordt beleden, en gepreekt, hier en bij ons in Nederland. Maar wat loopt de culturele context waarin dat gedaan wordt, ver uiteen! Geen wonder dat we elkaar soms (op synodaal niveau) niet meer lijken te verstaan… Geen wonder ook, dat dat emoties oproept, want de band met Nederland is nog sterk, en wordt ook concreet gevoeld en gevoed door familiebezoek over en weer.

Botsing van culturen: daar ging het ook over op de zendingsconferentie, die we hier afgelopen vrijdag en zaterdag hadden in de meeting hall van de kerk in Kelmscott. In een 4-tal lezingen bezinnen we ons op wat er zoals gebeurt bij de overdracht van het Evangelie in een andere cultuur. Eerst vertelt rev. Ian Wildeboer, zendeling in Papua New Guinea (het onafhankelijke deel van het eiland) over zijn ervaringen. ’s Avonds ben ik aan de beurt. Ik houd een verhaal over de verhouding tussen Bijbel, Theologie, en Cultuur. Aan de hand van een aantal vergelijkingen tussen de Amerikaanse (in veel opzichten identiek aan de westerse) cultuur, en andere (met name oosterse) culturen, probeer ik duidelijk te maken dat ‘onze’ cultuur echt niet zo vanzelfsprekend en Bijbels is als we veelal geneigd zijn aan te nemen. Voor wat ons werk in LITINDO betreft betekent dit, dat we boeken die geschreven zijn voor de kerken in Nederland of Canada of Australië, meestal niet één-op-één kunnen vertalen, maar moeten aanpassen, contextualiseren, zodat de mensen in Indonesië zich erdoor aangesproken voelen. Doe je dat niet, dan zullen boeken als niet relevant aan de kant geschoven worden.
De volgende dag maken rev. Stephen ’t Hart (ex-zendeling in Port Moresby, PNG) en br. Wayne Vanderheide (binnenkort repatriërend docent aan de theologische opleiding in Port Moresby) duidelijk wat voor effecten het verschil in cultuur heeft voor de overdracht van het Evangelie, in de zondagse prediking, en voor het theologisch onderwijs. Bijzonder boeiend, en verhelderend.

Het is de eerste keer dat er hier in Australië zo’n conferentie is gehouden. Vooraf waren sommigen behoorlijk sceptisch. Maar na afloop was iedereen enthousiast, en een volgende conferentie staat al gepland. “Waarom hebben we dit niet 40 jaar eerder gehoord”, verzucht iemand. En een ander bekent dat hij op deze conferentie dingen heeft geleerd over zending die hij zich nooit eerder gerealiseerd heeft. Iedereen is onder de indruk van de complexiteit van de prediking van het Evangelie in een andere cultuur. En de reactie is er één van: wie is hiertoe in staat?!
Maar God dank: het is niet ons werk, maar Zijn werk!

Die zondag preek ik in Mundijong en in Rockingham. Als tekst heb ik de gelijkenis van de zaaier (Lukas 8). in dat verhaal is de spits niet gericht op de zaaier, of op God, maar op de grond waarin het zaad valt: op onszelf dus! Dan komt het verhaal wel heel dichtbij: werken wij wel genoeg in de tuin van ons hart? Als planten niet regelmatig begoten worden door de regen (van het Woord), drogen ze uit. En als we niet op tijd onkruid wieden, krijgt de plant van het geloof in ons leven niet de kans te groeien, en gaat die uiteindelijk dood…

Maar voor de zaaier is er troost, zoals de Dordtse Leerregels met deze gelijkenis in de hand aanwijzen (III/IV, 9): of het zaad vrucht draagt of niet, dat ligt niet aan ons, maar dat is het werk van God! Dat geeft rust, ook op een reis als deze, door Indonesië, en in Australië: Hij zorgt, het is zijn werk, ook in LITINDO, en in dat vertrouwen kunnen we rustig verder gaan, en plannen ontwikkelen voor de toekomst. Ook in het vertrouwen dat ondanks al onze fouten en missers, God er zeker zijn werk mee zal doen. Soli Deo Gloria – alleen aan Hem de eer!

A Dieu,
Jaap

24-11-2012 18:15

Albany, 4 november 2012

In de laatste week van oktober is de gemeenschap van de Theologische Hogeschool Johanes Calvin op Bali druk bezig met de voorbereidingen van de viering van Hervormingsdag. Ik moet terugdenken aan die keer, al weer heel wat jaren geleden, dat we bij deze gelegenheid in Jakarta waren, en er door de studenten van SETIA een groots opgezet songfestival werd georganiseerd. Er waren zoveel groepen dat ze er twee dagen voor nodig hadden om iedereen aan bod te laten komen. We keken er erg naar uit, tot we tot de ontdekking kwamen dat het enige lied dat door elke groep ten gehore werd gebracht, het Lutherlied was… Hoe mooi de woorden van Een vaste burcht ook zijn, op het laatst kon je de melodie gewoon niet meer horen! En ik was blij dat ze Henk Oostra hadden uitgekozen om in de jury plaats te nemen, en niet mij; nu kon ik er nog eens eventjes bij weglopen…

Deze opleiding op Bali wordt gesteund door de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, en heeft zo’n 120 studenten. Een aantal daarvan is op stage, dus ik heb er zo’n 90 onder mijn gehoor. De meesten zijn afkomstig van nabijgelegen eilanden als Sumba, Sabu en Timor. Hun kerkelijke achtergrond is verschillend: er zijn er van de algemene protestantse kerken op Sumba en op Timor, maar ook van de ‘Gereja Bebas’ (de Goossens-kerken). Er zijn geen studenten van de ‘gereformeerde gemeenten’ op Papua – daar hebben ze nu immers in Wamena hun eigen opleiding.
In drie sessies van 1,5 uur introduceer ik ook hier weer mijn boek over belijdenissen. In grote lijnen dezelfde stof als ik een week eerder ook voor de studenten op Ambon heb behandeld. Alleen is er hier meer ruimte voor discussie. Naar aanleiding van de begrafenis die ik in Pau heb meegemaakt, vraagt iemand of het wel echt nodig is dat de kerk zich in een eigen belijdenis zich uitspreekt over dergelijke cultureel-bepaalde zaken. Want zijn belijdenissen er niet vaak de oorzaak van dat een kerk scheurt, en beng je dus de kerkelijke eenheid niet in gevaar als je hier nadruk op gaat leggen? Inderdaad, dat is een gevaar als je het eigene gaat verabsoluteren. Maar toen in de tijd van de Reformatie verschillende belijdenissen ontstonden, erkende men die vaak over en weer. Zelfs Luther en Calvijn hebben geprobeerd om die eenheid te bewaren; en iemand als Melanchton, de ‘rechterhand’ van Luther, heeft zelfs getracht door aanpassingen de Lutherse Augsburgse confessie acceptabel te maken voor de orthodoxe kerken in het oosten! Als regionale belijdenissen overeenkomstig Gods Woord zijn, zich daarop baseren, en zich daardoor laten beperken, waarom zou dat dan scheiding teweeg moeten brengen? Zeker als je daarnaast ook samen de algemene belijdenisgeschriften blijft onderschrijven.

Eén van de docenten heeft me die morgen opgehaald, en brengt me aan het eind van de middag ook weer terug naar het hotel waar ik logeer. Met het drukke verkeer een rit van zeker een uur. Hij is docent dogmatiek, en gebruikt het handboek dat Kees Haak vroeger op Papua heeft geschreven. Hij ziet uit naar het nieuwe handboek dat LITINDO volgend jaar hoopt te publiceren. Omdat hij ook les geeft over de Dordtse Leerregels, is hij erg geïnteresseerd in het commentaar daarop van rev. VanDelden uit Australië, dat ik nu aan het vertalen ben. Ik beloof hem het materiaal op te sturen. Behalve docent is hij ook predikant van een gemeente in Denpasar, de hoofdplaats op Bali. Hij vertelt dat veel van zijn collega’s niets moeten hebben van de Gereformeerde leer.
Helaas heeft deze opleiding weinig of geen impact op de eigen bevolking van Bali. Die is in meerderheid aanhanger van de Hindu-godsdienst. Je wordt er overal mee geconfronteerd. Elke morgen als ik aan mijn ontbijt zit in het open restaurant van mijn hotel, komt er een vrouw in Balinese kleding. Ze knielt neer, en zorgvuldig legt ze een paar kleine van bladeren gevouwen bakjes gevuld met een beetje rijst, een paar geurende bloemblaadjes, en een staafje wierook op de stoep bij deingang. Dan komt ze weer overeind, en sprenkelt naar alle kanten een beetje water. Daarna loopt ze weer verder naar een volgende plaats waar ze een dergelijke kleine ceremonie gaat uitvoeren. Ze heeft nog heel wat bakjes bij zich. Hetzelfde gebeurt bij winkels, op de hoeken van de straten, bij beelden, op het strand… Daar zit iets in waar we nog wat van kunnen leren:de religie beheerst echt alle facetten van het dagelijks leven.

En nu zit ik een paar weken in Australië. Vanuit enkele gemeenten van onze zusterkerken hier in de omgeving van Perth wordt al jaren zendingswerk gedaan in Indonesië, met name op Sumba. Nu zijn er serieuze plannen om ook actief te worden op het gebied van vertalen en uitgeven van Gereformeerde theologische boeken in het Indonesisch. Een erg hoopgevende ontwikkeling voor LITINDO! Over een jaar of vijf gaan wij DV alle drie met emeritaat (Gerrit Riemer, Henk Venema, en ikzelf). Voor wat Nederland betreft lijkt dat het einde te gaan worden van dit werk: opvolgers zijn niet te vinden, en de financiële basis wordt door het gestaag leeglopen van de classis Groningen ook te smal. Wat zou het fantastisch zijn, voor ons, maar natuurlijk vooral voor de kerken in Indonesië, als Australië dan de fakkel zou kunnen overnemen!

Op uitnodiging van één van de gemeenten van de FRCA ben ik hier vanuit Bali naar toe gereisd. De afgelopen week had ik een aantal ontmoetingen met verschillende personen en zendingsinstanties. Op een gecombineerde gemeentevergadering van de drie betrokken gemeenten heb ik over ons werk mogen vertellen: hoe saai het vertaalwerk vaak is, maar hoe exciting het wordt als je ziet wat die boeken onder de zegen van de Geest nu al mogen betekenen voor zoveel kerken in Indonesië! Datzelfde heb ik ook aan de leerlingen van de John Calvin school proberen over te brengen (de ‘middleschool’, vergelijkbaar met Greijdanus, Gomarus, en Guido de Brès in Nederland).
Afgelopen zondag heb ik hier gepreekt, en ook volgende week zondag hoop ik een tweetal gemeenten voor te gaan. Op een ministerial (bij ons noemen we dat een coetus) heb ik de meeste collega-predikanten mogen ontmoeten. Dit weekend ben ik bij familie (van Dineke) in Albany, 400 km zuidelijker. Komende week worden de besprekingen over het ‘vertaalwerk’ voortgezet. En aan het eind van de week is er nog een twee-daagse zendingsconferentie, waar ik een bijdrage aan mag leveren.

Geen vakantie dus, al valt er tussendoor veel te genieten. Een wandeling door het centrum van Perth. Echt oude gebouwen heb je hier niet, maar toch staat er dan tussen allemaal moderne winkels en flatgebouwen opeens een typisch Engelse anglicaans kerkje in semi-middeleeuwse bouwstijl, eind 19e eeuw gebouwd door de immigranten. Een illustratie van het meenemen van en vasthouden aan de rijke erfenis van het geloof. Helaas wordt er lang niet altijd nog echt kerk gehouden, en is die erfenis ondanks het vasthouden aan die symbolen veelal sterk verwaterd.
Vormen en tradities kunnen waardevol zijn, maar kunnen niet zomaar overgeplaatst worden. In Nederland was het afgelopen woensdag dankdag. Hier in Australië niet: de seizoenen zijn hier zo verschillend, dat ze bid- en dankdag in één hebben. Zo zijn er in het kerkelijk leven overal gebruiken die historisch zo gegroeid zijn, en verschillen die veroorzaakt worden door verschil in de context waar men mee te maken heeft.

Gisteren zijn we naar een paar indrukwekkende rotsformaties en enkele van de vele stranden hier aan de zuidkust geweest. Wat is Gods schepping groots! Het is hier voorjaar, de bloemen bloeien, en het wordt langzamerhand warmer. Nog een week of acht en dan is het ook hier kerst, midden in het zomerseizoen: ’s morgens naar kerk, ’s middags naar het strand… Hetzelfde feest, in een totaal verschillende context gevierd, maar met dezelfde rijke inhoud: het evangelie van Solo Christo: God die ons zijn Zoon gaf, voor onze redding en ons behoud, alleen door Hem!

A Dieu!
Jaap

Ambon

23-10-2012 08:13

Ik krijg een formulier in de handen geduwd. Of ik mijn biodata maar even wil invullen; voor de administratie. Natuurlijk. Naam, geboortedatum, en meer van die gegevens. Maar wat moet ik invullen bij: laatst (dus hoogst) genoten opleiding? Titels zijn hier in dit land enorm belangrijk, zó belangrijk dat je ze zelfs kunt kopen (al is dat uiteraard illegaal). Maar ik ben maar een gewone dominee, niet eens drs, laat staan dr, alleen maar kandidaat. En wat zet ik bij specialisatie? Die hadden wij in onze tijd in Kampen nog niet, de opleiding ging toen niet verder dan kandidaats, al duurde dat langer en had dat méér inhoud dan het tegenwoordige kandidaats dat zeker een jaar korter duurt. Dus vul ik maar eenvoudig in: Gereformeerde Theologie. En zo wordt het vervolgens ook afgekondigd bij de introductie.

 

De Maranatha-kerk, vlak bij de campus van de Christelijke Universiteit van Ambon, zit vol studenten, en een aantal docenten. Van buiten klinkt onophoudelijk het geraas van het drukke verkeer op dit kruispunt waar de kerk staat. Binnen probeer ik me verstaanbaar te maken. Ik mag hier vanmorgen mijn boek over belijden en belijdenissen presenteren. Een uur lang ben ik aan het woord over Belijden in Context. Eerst schets ik hoe in de huidige smeltkroes van allerhande meningen en overtuigingen die o.a. via google en social media over ons wordt uitgestort, het besef van één objectieve waarheid steeds meer onder druk komt te staan. Autoriteit van een gezaghebbend Woord dat de Waarheid is wordt niet meer vanzelfsprekend geaccepteerd. De veelheid van geloven heeft bij velen een houding van pluralisme doen ontstaan, waarbij de belijdenis van Christus als de enige weg naar het leven is losgelaten.

Vervolgens laat ik zien hoe in de tijd van de Reformatie de kerken de waarheid van de Schrift alléén terugvonden, en deze belijdenis van het Sola Scriptura verankerden in een hele serie nieuwe belijdenisgeschrifen, die wel gezag kregen in de protestantse kerken, maar dan afgeleid gezag: uitdrukkelijk onder de Schrift zelf, de bron en de grens van elk belijden.

Tenslotte behandel ik een drietal hedendaagse voorbeelden van belijden. Eerst de belijdenisliederen in Rwanda, ontstaan in de tijd van het bloedige conflict tussen Hutu’s en Tutsi’s (1990-1994), Vervolgens het streven van NGK-zendelingen in Zuid Afrika naar een eigen theologische opleiding voor de Zulu’s, die (naar zij hoopten) zou leiden tot een eigen Zulu-belijdenis, waarin de waarheid van het Evangelie beleden zou worden in de eigen context van bv polygamie en de verering van de voorouders, en waarmee vormen van syncretisme zouden kunnen worden voorkomen. Mee vanwege de politieke omwenteling die het einde van de Apartheid betekende, is die belijdenis er nooit gekomen: gezamenlijkheid werd toen het motto, en elk streven naar iets aparts voor een zwarte stam zou bij voorbaat verdacht zijn. Het derde voorbeeld waar ik aandacht voor vraag is de situatie in Noord Ierland in met name de tweede helft van de vorige eeuw: het geweld tussen katholieken en protestanten, waarvan de wortels te zoeken zijn in de transmigratie in de 17e eeuw van protestantse Schotten naar dit toen Katholieke eiland. De Protestantse kerk heeft in die situatie begin jaren ‘90 een verklaring uitgegeven, die een belijdend spreken wilde zijn in de concrete context van dat moment: de roeping van de kerk om vrede te brengen.

Aan de hand van deze voorbeelden probeer ik duidelijk te maken, dat ook wij geroepen zijn ons geloof te belijden in de concrete context waar we in leven. In de huidige tijd is het meer dan nodig om de autoriteit van de Schrift opnieuw te handhaven tegenover de hedendaagse ontwikkelingen die daar een vraagteken achter zetten.

 

Hier op Ambon zijn vergelijkbare ontwikkelingen aan te wijzen. Het is nog maar toen jaar geleden dat de campus van de universiteit  in vlammen opging, in de bloedige conflicten tussen christenen en moslims. Eén van de grote stadskerken, die precies op de grens staat van het stadsdeel waar de moslims wonen, is al drie keer afgebrand. En vorig jaar scheelde het niet veel of de campus was opnieuw door woedende moslims in brand gestoken. Als ik door de stad rijd, wijst de chauffeur me waar de grenzen liggen tussen de beide bevolkingsgroepen, en de kruispunten waar moslims en christenen in mum van tijd grote menigten op de been hebben als er ergens iets gebeurt. En het zijn niet alleen moslimextremisten, verzekert hij me: ook onder de christenen zijn fanatieke lui die wraak willen… Transmigratie van moslims naar Ambon werkt ook niet positief.

 

Nog op een andere manier blijkt de actualiteit van mijn voordracht. De volgende dagen behandel ik met een 40-tal hogere-jaars studenten een aantal artikelen uit het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels. Meteen al blijkt dat niemand ooit van die belijdenis heeft gehoord. Dat is een tegenvaller, want ze zullen toch eerst moeten weten wat de achtergrond van dat geschrift is, voor we er inhoudelijk mee aan de gang kunnen gaan. Dus ga ik eerst dat hele verhaal maar vertellen, te beginnen met Pelagius – hebben ze ook  nog nooit van gehoord, zeggen ze. Pas bij Augustinus komt er een beetje herkenning.

Goed, het wordt dus een hoorcollege. Daarna pas kom ik toe aan wat ik eigenlijk wil gaan doen. Ik geef elk individueel de opdracht een artikel tegen de Indonesische achtergrond te houden. Wat zijn de raakvlakken met de opvattingen van de islam en de andere godsdiensten?

 

De volgende dag rapporteren ze hun bevindingen. Dat is met de eerste student die het woord krijgt meteen al raak: hij legt eerst uit wat volgens hem verkiezing betekent, en wat de betekenis is van Christus’ werk, en blijkt het dan vervolgens totaal oneens te zijn met wat in de DL beleden wordt! Hij is van mening dat iedereen uiteindelijk behouden zal worden, en gelooft dus niet dat er mensen verloren zullen gaan. Dat alles probeert hij aan te tonen door een zelf verzonnen voorbeeld, waarbij het gaat over iemand die voor een dilemma komt te staan van recht en liefde. Het recht heeft zijn loop genomen in Christus, en nu overwint de liefde en wordt er verder niemand meer veroordeeld.

Ik vraag hem wat hij dan vindt van Joh. 3:16 Daar komt hij niet helemaal uit. Hij heeft zelf trouwens niet één Bijbeltekst genoemd. Ik noem Openbaring, het laatste oordeel. Ook daar heeft hij geen antwoord op. Wat heeft zending dan nog te betekenen, en waarom zouden jullie eigenlijk nog theologie studeren, vraag ik verder, als het immers toch allemaal niet meer uitmaakt en het uiteindelijk met iedereen wel goed komt, ongeacht of hij of zij Christen wordt. Nee, maar bij zending gaat het om hulpverlening, niet om bekering, reageert hij, bijgevallen door nog enkele anderen; kijk maar wat er staat in Lukas 4:19, “om aan gevangenen loslating te verkondigen, aan blinden het gezicht, verbrokenen heen te zenden in vrijheid”: dàt is de taak van de kerk in de wereld, volgens hen. Maar zo ruk je die woorden helemaal uit de context, reageer ik: daar in Lukas gaat het over wat Jezus kwam doen. Zending vloeit voort uit de opdracht van Jezus aan zijn discipelen, aan het slot van Mat. 28. Dat lijkt nieuw voor ze te zijn, want de Bijbeltjes gaan open, dat moeten ze eerst eens opzoeken wat daar staat.

We bespreken nog een aantal andere artikelen. Er komt maar weinig uit van wat ik gehoopt had, en toch is het een ontnuchterende eyeopener voor de theologische context van deze belijdenis in Indonesië. Hier blijft niets heel van de grondslag van de Reformatie, sola fide, sola gratia, sola Scriptura.

We krijgen het nog wel even over de Islamitische opvatting over het noodlot, en ook over het verschillende godsbegrip. Ook hier merk ik een heel makkelijk gelijkschakelen tussen Islam en Christendom, alsof het toch feitelijk over dezelfde God gaat. Ze weten trouwens weinig van de leer van de Islam. Ze krijgen naar hun zeggen alleen geschiedenis van de Islam gedoceerd, niet wat er in de Koran staat. Ergens ook wel te begrijpen: als je ze toch niet wilt confronteren met het Evangelie is het genoeg als je elkaars achtergrond een beetje begrijpt.

 

Van één van de docenten hoor ik dat ze bezig zijn een eigen belijdenis op te stellen. Ik ben verrast! Het maakt me nieuwsgierig: wat zou de reden zijn dat ze dit willen gaan doen? De Molukse Kerk is de regionale voortzetting van de oude Indische Kerk uit de Nederlandse tijd; dus zeg maar de hervormde kerk. Het ontwerp moet besproken gaan worden op de synode van 2015. Daarna zal het in de gemeenten worden geïntroduceerd. Ook docenten van de theologische opleiding worden bij dit project ingeschakeld. Laten we hopen en bidden dat die nieuwe belijdenis zal oproepen tot terugkeer naar de autoriteit van de waarheid van het ene Woord van God!

 

A Dieu!

Jaap

 

Sumba

23-10-2012 08:05

Brief-10, Denpasar (Bali), 14 october 2012

 

Opeens staan ze daar te zingen, in een hoek van de wachtruimte van het vliegveld van Waingapu. En klinkt daar blij en vrolijk: Dalam nama Yesus…, eerst in het Indonesisch, en daarna in het Koreaans. Een groep van ruim 30 jongeren uit Korea is op bezoek zijn geweest bij kerken op Sumba en houdt een korte dienst voor ze in het vliegtuig stappen. Ze zijn allemaal werkzaam in cultuur, media en entertainment, en dat is te merken: dit is kwaliteit. Maar het is bovenal een hartverwarmend getuigenis!

 

Het is een mooie afsluiting van een 2e week op Sumba. Het begin van mijn LITINDO-activiteiten op deze reis: drie dagen lesgeven aan de studenten van de theologische opleiding van onze zusterkerken in dit land.

De eerste dag verloopt niet denderend. Ik introduceer mijn boek over belijdenissen, maar tot mijn teleurstelling komen er niet veel reacties, en ik heb niet het gevoel dat ik hen echt bereik. Zelfs als ik wat prikkelend een waarneming van één van de (NGK-)zendelingen in de 80-er jaren over de zwarte kerken in Zuid Afrika (dun laagje christelijk vernis met daaronder nog altijd het oude heidense gedachtegoed, dat dus in feite de aanval van het Evangelie doorstaan heeft) vragenderwijs vergelijk met de situatie van de kerken hier op Sumba, komt er nauwelijks respons. Terwijl ik die vergelijking toch wel kan onderbouwen vanuit mijn ervaringen de afgelopen week. Niet alleen de man die namens de familie afgelopen zaterdag de begrafenisplechtigheden opende met een toespraak, waarin hij eerst de kerken dankte voor wat ze hadden gebracht (wat hij daarmee concreet bedoelde bleef onduidelijk, althans voor mij), en vervolgens haast in één adem door triomfantelijk constateerde dat al die jaren christelijke verkondiging (bij Melolo in de directe omgeving van Pau al begonnen rond 1884!) de Sumbanese adat (zoals op die begrafenis) niet hadden weten uit te roeien! Met andere woorden: de oude Merapu-godsdienst heeft de aanval van het Evangelie overleefd! Ik probeer de studenten uit hun tent te lokken met wat (weliswaar wat gechargeerde) kanttekeningen bij de preken die ik afgelopen zondag heb gehoord: het uitstorten van de leer over de verzamelde kerkgangers, vrijwel zonder dat ook handen en voeten geven in het dagelijks leven. Dan wordt de kerkdienst een rituele dans van prediker en toehoorders, zonder dat er inhoudelijk echt iets gebeurt. Dan verwordt het christen-zijn in feite tot een set moralistische regels, waar je je aan moet houden (kerkgang, vvb, 10 geboden), maar wordt er niet echt iets zichtbaar van het nieuwe leven: een transparant leven waardoor in het dagelijkse doen en laten en spreken van de gelovigen Jezus in je leven zichtbaar wordt!

Ze luisterden, maar geen reactie. Alsof ze niet begrijpen waar ik het over heb. Frustrerend.

 

De tweede dag gaat het gelukkig een stuk beter. We hebben het dan over het 1e hoofdstuk van de Dordtse Leerregels, naar aanleiding van het commentaar daarop van rev. Van Delden (van onze zusterkerken in Australië dat ik voor LITINDO bezig ben te vertalen). De vorige avond heb ik iedere student de opdracht gegeven een de paragraaf over één artikel van dat hoofdstuk te lezen, en vervolgens iets op papier te zetten over wat dat betekent tegen de achtergrond van de Sumbanese adat (of die van Papua, voor de drie studenten die daar vandaan komen). Het wordt een soort workshop, waarbij iedere student eerst presenteert wat hij heeft bedacht, en we daar vervolgens over in discussie gaan. Dat loopt als een trein, en er komen heel wat culturele gegevens op tafel die raakvlakken hebben met onderwerpen die in die artikelen worden behandeld. Impliciet krijgt nu ook mijn vraag van de vorige dag een antwoord, als ze vertellen hoe nog veel oude gebruiken gewoon doorleven ook bij christenen. En telkens weer wordt genoemd hoe veel mensen naar kerk gaan met dezelfde houding als ze vroeger de riten van de adat volbrachten: als je maar trouw alles doet wat er van je verlangt wordt, dan komt het wel goed, en of je hart daar ook bij zit komt niet binnen het gezichtsveld, omdat dat ook bij de oude stamreligie helemaal niet belangrijk was.

We krijgen het over de traditionele bruidsprijs, en over het al of niet mogen meedoen aan heidense feesten waar heel de familie bij betrokken is. Ik ben blij dat ik kan verwijzen naar het boek van Henk Venema, dat juist daarover gaat (met als invalshoek het sagowormenfeest op Papua). En over de belis (bruidsprijs) kunnen ze binnen niet al te lange tijd lezen in de vertaling van de dissertatie van Jan Boersema!

 

’s Avonds komt ook ds. Pila er bij zitten, en doet actief mee in de discussie. Naar aanleiding van de discussie over wat bekering eigenlijk is, krijgen we het over polygamie: hoe bewijst iemand die zich daaraan heeft schuldig gemaakt, zijn bekering? Moet hij dan eerst die 2e vrouw wegsturen? Over zo’n onderwerp kun je makkelijk een avond vol praten! Ik probeer uit te leggen dat je moeilijk algemene regels kunt stellen, maar dat je (net als bij echtscheiding) elk geval apart op zichzelf moet behoordelen.

Ik geef door wat ik pas nog in een boek las, over een man met drie vrouwen, in Afrika. De man was buien de kerk gesloten, evenals zijn 2e en 3e vrouw, alleen de 1e vrouw niet, die mocht gewoon aan het Avondmaal komen. Maar die eerste vrouw had er nu juist bij hem op aangedrongen een 2e vrouw te nemen, zodat zij meer tijd aan de kinderen kon geven! En toen had hij dat uiteindelijk maar gedaan. En die 3e vrouw had hij geërfd van zijn overleden broer (cf. leviraatshuwelijk in het OT). De man beschouwde zichzelf als een goed christen: “Christus verbood echtscheiding, maar niet polygamie; de kerk vraagt echtscheiding, en verbiedt polygamie…”

Ook vertel ik hoe we op Papua met die dingen hebben geworsteld, en van het besluit dat de kerken daar op een gegeven moment namen dat iemand die een 2e vrouw nam de eerstvolgende 10 jaar niet weer opnieuw lid van de gemeente kon worden. En van die man in Uni, die vanwege dat besluit jarenlang trouw naar kerk kwam, omdat hij echt berouw zei te hebben van wat hij had gedaan, trouw vvb betaalde (wat verreweg de meeste christenen niet deden!), en toen uiteindelijk wel weer christen is geworden. Een 2e vrouw weer wegsturen was in elk geval op Papua volstrekt onmogelijk: waar zou die vrouw naar toe moeten? Niemand zou haar opnemen, of verzorgen!

Het is wel duidelijk dat we bij lange na niet klaar komen met de bespreking van al het materiaal; aan het eind van de avond zijn we nog maar bij artikel 3… Toch liever zo dan dat ik alles wel had kunnen afronden, maar zonder een echte discussie met de studenten! Maar dan vraagt ds. Pila of ik de volgende dag niet wil verder gaan, omdat dit toch wel belangrijk is. Daar ben ik uiteraard erg blij. Zo sta ik de volgende morgen opnieuw voor de studenten. De hele morgen zijn we druk bezig, maar om 12 uur zijn we er nog niet helemaal doorheen. Maar we laten het er bij, bij de laatste artikelen verwacht ik eigenlijk geen nieuwe input meer. Ik heb in elk geval heel wat materiaal verzameld waarmee ik het commentaar van VanDelden hopelijk een contextuele aanvulling kan meegeven.

 

Aansluitend is er een weeksluiting, in aanwezigheid van docenten en geleid door een student. Na afloop neemt ds. Pila nog even het woord, en bedankt mij hartelijk voor het bezoek en de lessen, vraagt de hartelijke groeten over te brengen aan Gerrit en Henk en de rest van LITINDO. Hij laat het hier zo bekende afscheidslied zingen (sampai bertemu – tot we elkaar weer ontmoeten). Veelzeggend: LITINDO is hier welkom, wordt gewaardeerd, en men ziet uit naar de volgende bezoeken!

 

A Dieu!

Jaap

 

Filmpje over het zangoptreden van de Koreanen:

http://www.youtube.com/watch?v=g01xqL2WjzA&feature=youtube_gdata_player

 

31-03-2012 20:33

Wezep, 31 maart 2012.

Ik sta in de grote boekenzaak van de christelijke uitgeverij BPK. Voor in de winkel ligt een grote stapel van mijn boek over belijdenisgeschriften,”Terpanggil untuk mengakui iman” (“Geroepen om je geloof te belijden”). Bij de kassa staat juist iemand af te rekenen; één van de boeken waarmee hij even later de zaak uitloopt, is dat van mij. Ik ken de man niet, heb geen idee wat hem beweegt mijn boek te kopen, wat hij er mee gaat doen, en al helemaal niet wat het boek met hem gaat doen. Het zaadje verdwijnt om zo te zeggen in de akker…

“Het is eigenlijk precies zo als vroeger. Alleen brachten u en de andere zendelingen het Evangelie toen mondeling, en nu staat het op schrift!” Sem Rumi, zoon van de al lang geleden overleden ds. Rumi, en in de geest van zijn vader een dienende figuur in de kerkeraad van de gemeente te Waena, heeft daarmee de kern geraakt. Zó is LITINDO 20 jaar geleden van start gegaan, op verzoek van de GGRI, die zei: als jullie dan geen nieuwe zendelingen meer kunnen sturen, stuur dan boeken! LITINDO, gewoon een andere vorm van verkondiging van het Evangelie van Christus. Wij zaaien, planten, begieten, maar God doet het zaad ontkiemen en groeien.

Deze laatste week gaat het steeds over boeken. In Sentani heb ik maandag een afsluitende ontmoeting met de BPS, het uitvoerend en vertegenwoordigend orgaan van de Gereformeerde Kerken op Papua (GGRI-P). Ik vertel over mijn ervaringen in het binnenland. Over de situatie van de GGRI-studenten in Wamena: goed dat ze daar zijn, voor henzelf, en voor de relatie met de GJPI, maar ze hebben meer begeleiding nodig. En ze zouden ook wel wat meer vergoeding mogen ontvangen: in Wamena is het leven zeker twee keer zo duur als in Sentani!
Ik vertel over mijn ervaringen in de Kombai en in Boma. Over de hartverwarmende ontmoeting met docenten en studenten van de Praktische Bijbelschool (SAP). Over wat we daar besproken hebben over de distributie van LITINDO-boeken naar het binnenland. Over de suggestie om daarvoor de BPS en het kantoor in Waena in te schakelen.
Zelf beginnen ze over hun verlangen naar een boek dat de geschiedenis van de GGRI op Papua vertelt. In het boekje van ds. Gerrit Riemer over de GGRI komt die geschiedenis wel aan de orde, maar uiteraard erg beknopt. Te beknopt, vinden ze: “Er is zoveel gebeurd, maar straks kennen onze kinderen het alleen nog van onze verhalen…!” Ze hebben gehoord over de promotie van Gerrit de Graaf: is dat boek misschien iets? Ik leg uit dat die dissertatie niet de geschiedenis van de kerken beschrijft, maar van de zending op Papua, en dat is wat anders! Een geschiedenis van de GGRI zou veel breder moeten worden opgezet, meer mondelinge en geschreven bronnen moeten gebruiken, in Nederland, en op Papua; maar zou vooral ook (mee) geschreven moeten worden door iemand van de kerken op Papua, van binnenuit! Ik ben het met hen eens dat dit best wel belangrijk is voor de kerken hier. In het verleden ligt het heden…: de wortels van veel wat er nu speelt liggen in ontwikkelingen in de jaren ’80 en ’90. Als dat verleden niet gedocumenteerd wordt vastgelegd, is het onvermijdelijk dat het verleden op den duur vervaagt, en dat er karikaturen ontstaan. Dan krijgen ook opzettelijk vervalste beelden van het verleden een kans. Lang kan dit ook niet wachten, omdat de bronnen op Papua voor een belangrijk deel mondeling zijn: het geheugen van mensen die alles hebben gezien en meegemaakt. Mensen die er nu nog zijn, maar die zo langzamerhand wel op leeftijd beginnen te komen…

In Jakarta ga ik weer op bezoek bij onze uitgevers. Bij Bina Kasih bestel ik de boeken voor de SAP in Boma. De directeur, pdt Yoel, heeft de manuscripten die ik hem begin februari gegeven heb, bekeken. Over beide voorstellen is hij positief. De dissertatie van ds. Jan Boersema (over huwelijksbetalingen op Sumba) ligt in de lijn van Hidup Baru (“Nieuw Leven”, het boek van ds. Henk Venema over het sagowormenfeest op Papua), en zou als een soort tweede deel in die ‘serie’ passen. En het boekje van ds. Visser over Hooglied (Ik hou zo van jou!) is ook erg welkom: er is in Indonesië nog vrijwel niets over dit Bijbelboekje gepubliceerd.

Bij BPK haal ik een stapel van mijn boek, om mee te nemen naar Nederland. Voor de leden van de Redactieraad van LITINDO, maar ook voor een aantal anderen: geïnteresseerden, en mensen die op onderdelen hebben meegelezen, en die ik een exemplaar heb beloofd. Het zijn dikke, zware boeken. Die passen niet meer in mijn koffer. Dus koop ik op de pasar senin een goedkoop licht koffertje, dat ik er helemaal mee volstop. (Bij de douane op Schiphol had ik gisteren wel enige moeite om uit te leggen dat dit echt geen handelswaar is om te gaan verkopen in Nederland…)

Op de morgen van mijn vertrek naar Nederland geef ik nog een drie uur durende introductie van mijn boek voor de studenten van de MDiv, de master-opleiding voor docenten van (dependances van) SETIA, waar ook ds. Dick Mak aan lesgeeft. Overeenkomstig de indeling van het boek (belijdenissen ten overstaan van God, van de kerk, en van de wereld), geef ik van elk van de drie onderdelen een voorbeeld. Eerst vertel ik over de belijdenis zoals die heel concreet klinkt in geestelijke liederen, gemaakt door eenvoudige kerkleden in Rwanda midden in de wanhopige situatie tijdens de slachtpartijen onder Hutu’s en Tutsi’s. Ontroerende liederen die de overwinning van Christus op het kwaad bezingen, en uitzien naar de komst van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde “waar het recht zal stromen als een rivier”. Liederen die duidelijk een andere richting wijzen dan de leiders van deze kerken, die een ‘theologie van reconstructie’ propageerden naar voorbeeld van de (weder)opbouw van Kanaan na de intocht en na de terugkeer uit de ballingschap.
In het tweede voorbeeld vertel ik ze over een belijdenis die er niet kwam, (onder meer) door de ontwikkelingen in de politiek: een inheemse belijdenis van de Zulu’s, waar gereformeerde zendelingen in KwaZulu Natal op hoopten, en waarin de jonge gemeenten in die stam concreet hun geloof hadden moeten formuleren met betrekking tot bijvoorbeeld de rol van de voorouders in het actuele leven. Toen er een eind kwam aan de Apartheidspolitiek, kwam ook op kerkelijk terrein alle accent te liggen op samenvoeging en éénwording, en kwam een eigen Zulu-belijdenis niet meer aan de orde. Zo’n belijdenis had een krachtig wapen kunnen zijn om syncretisme tegen te gaan (de vermenging van christelijk en heidens gedachtegoed). Ook in Papua New Guinea hebben kerken in belijdende verklaringen officieel stelling genomen tegen vormen van syncretisme, zoals die in allerlei messianistische bewegingen ook op Papua bekend zijn, waarbij Jezus wordt geïdentificeerd met een plaatselijke mythische voorouder die als ‘messias’ de eigen stam komt verlossen. Dan wordt het universele Evangelie ingekapseld in het particuliere belang van de stam, en is er ook geen sprake meer van een Bijbels zondebesef.
Het laatste voorbeeld dat ik die morgen behandel is een belijdenisverklaring, die de Presbyteriaanse kerk in Ierland (PCI) in 1994 publiceerde naar aanleiding van de voortdurende guerrilla tussen Katholieken en Protestanten in Noord-Ierland. De achtergrond van die burgeroorlog is voor mensen in Indonesië erg herkenbaar: na de overwinning van Engeland op Ierland in 1690 (met behulp van onze stadhouder Willem III) kwam een uitgebreide verhuizing op gang van protestanten uit Schotland naar het in meerderheid katholieke eiland – een vergelijkbare ontwikkeling als de huidige transmigratie van honderdduizenden Islamieten naar het in meerderheid protestantse Papua. In de verklaring van de PCI worden (na een eerdere meer principiële stellingname op grond van de Schrift) vooral praktische aanwijzingen gegeven om vrede te brengen op plaatselijk niveau: het Evangelie breekt de vicieuze cirkel van geweld en haat en onrecht.
Na afloop van de presentatie kan ik nog niet meteen weg: eerst willen de studenten nog dat ik hun exemplaar van mijn boek signeer…

En dan wordt het tijd afscheid te nemen. Afscheid van een land dat me ondanks zoveel ellende lief is. Afscheid van een stad, die deze dagen gebukt gaat onder demonstraties en harde confrontaties tussen studenten en leger, naar aanleiding van de voorgenomen verhoging van de benzineprijs met bijna 100%. Bij benzinestations staan tientallen militairen, om ongeregeldheden te voorkomen. De luchthaven is volgens berichten op de televisie hermetisch afgegrendeld door het leger. Een deel van de tolweg (de gebruikelijke route naar het vliegveld) is gesloten. Ik moet een heel eind omrijden, maar merk uiteindelijk van dat alles vrij weinig.

Als we van Jakarta opstijgen en koers zetten naar Kuala Lumpur, en vervolgens naar Amsterdam nog zo’n 12½ uur vliegen verder, denk ik terug aan al die ervaringen en ontmoetingen van de afgelopen weken. Aan de synode, al weer zo lang geleden. Aan de studenten in Wamena, en aan mantri Ham Lokon, in dat dorpje daar hoog boven de Baliem. Aan de verstrooide kuddes zonder herder in Ndema, Fifiro, en zoveel andere plaatsen. Aan de evangelisten, die ondanks dat ze er zoveel moeite ondervinden telkens toch maar weer trouw naar hun post gaan.

Ik denk terug aan Wanggemalo, en aan al die mensen in de ban van de Mammon. En zou de kerkbouw nu eindelijk toch eens van de grond komen? Ik denk aan Emira, die ik niet meer aan de telefoon heb kunnen krijgen, evenmin als haar ouders, bapak Epius en ibu Kori, onze trouwe huishulp – hoe zou het met hen zijn?

Ik denk aan Karin, die in een eerdere periode bij ons werkte. Aan de foto’s die ze me in Boma vol trots laat zien: Yakob Pieter in het uniform van de politie. Aan haar bejaarde vader, bapak Gnemon, die me op de morgen van mijn vertrek uit Boma nog even komt groeten, krom gebogen en leunend op zijn stok; hij was als jonge kerel één van de mensen die met ds. Koos van der Velden aan het begin stonden van dit dorp.

Ik denk aan de kerken op Papua. Je hoort op zo’n reis zoveel. Mooie dingen, verdrietige dingen. Je ontmoet mensen die zich met al hun fouten en gebreken toch naar vermogen inzetten voor de zorg voor de kudde en de opbouw van de kerk. Maar je hoort ook van mensen die zich meer lijken te gedragen als kleine gereformeerde pausjes in hun eigen koninkrijk. Wat zie je toch vaak dat de zucht naar macht en rijkdom de bereidheid om te dienen verdringt en verstikt. Niet alleen op Papua trouwens.

Morgen vieren we hier in Wezep het Heilig Avondmaal. En volgende week herdenken we het offer van Gods Zoon op Goede Vrijdag, en zijn overwinning op de dood op de dag van de Opstanding, Pasen. Avondmaal wordt in veel gemeenten van de GGRI maar zelden meer gevierd. Niet uit onwil, maar veelal door gebrek aan predikanten. Maar heeft het misschien toch ook niet iets te maken met dat gebrek aan bereidheid om te dienen, en om te lijden voor Christus? Ik merkte in de preken die ik deze weken op Papua hoorde niet één keer het besef dat we in de lijdensweken zaten…

Zoveel om aan te denken, zoveel om je zorgen over te maken, zoveel om aan te twijfelen, zoveel om aan te wanhopen. Zoveel om voor te bidden. Zoveel om voor te danken. Zoveel om God te prijzen!
Zoveel om ook rustig weer los te laten. Want het Lam heeft de overwinning behaald, en in Zijn hand heeft hij het boek van het leven! Dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, ontrouwe dienstknechten noch de verleiding van de Mammon, vallende zinkplaten noch inzakkende kerken, geen duistere macht van oude adat, geen alles overspoelende en verdrinkende banjir van moderne ontwikkelingen, geen oerwoud vol geesten en demonen, of wat dan ook, zal Gods kinderen op Papua kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij hen en ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer!

Gezegend Paasfeest!

A Dieu,
Jaap

25-03-2012 14:19

Sentani, 25 maart 2012

In het donker vertellen de evangelisten over hun moeiten. Het gaat over eten, over geld, over vervoer. Ze hebben het vaak zwaar! Gemeenten laten het afweten, en op evangelisatieposten is de bevolking vaak zo druk voor zichzelf bezig. En vroeger kwam er altijd een plane om ze op te halen of weg te brengen, maar dat is tegenwoordig ook lang niet altijd meer het geval. Een paar evangelisten worden morgen naar Binamzain gevlogen, maar ze hebben nog geen idee hoe ze vervolgens daar vandaan in hun dorp moeten komen, ver stroomopwaarts aan de Kolf-rivier. “En de pendeta’s zeggen altijd alleen maar dat we vol moeten houden…”

Na de hevige regenstorm die eind van de middag over Boma raasde, laat de elektriciteit het deze avond afweten, en ik ben naar het verblijf van de evangelisten gelopen. Daar komen we in gesprek. Niet dat ze hulp van mij verwachten, ze weten dat ik daar niet over ga. Maar kennelijk hebben ze er behoefte aan hun hart uit te storten, nu de pendeta’s van de cursus er even niet bij zijn. Ik hoor ze aan, en net als vroeger voel ik me machteloos. Wat ze vertellen is zo herkenbaar! Het beeld van het verleden is alleen te rooskleurig, en ik bedenk dat wij vroeger ook wel zo op de evangelisten van toen hebben ingepraat. Maar wat konden wij, en wat kunnen de pendeta’s vandaag anders? Ja, natuurlijk: bidden! En dat vragen ze ook, en dat gebed kan en zal ze dragen, als ze morgen weer op pad gaan! Zie, Ik ben met jullie…
Twee dagen lang vliegt het watervliegtuig af en aan. Drie keer naar Tiau, naar Haku, naar Tanah Merah, naar Binamzain, naar… Ik neem afscheid, en zwaai ze uit. Tuhan memberkati! – Ga met God!

De tweede dag ben ik zelf ook aan de beurt: vanaf de pas geasfalteerde vliegstrip van de Bandar Udara Bomakia vlieg ik terug naar Wamena.
Onderweg zie ik in de verte Binamzain liggen. En hoog aan de bovenloop van de Kolf één van de dorpjes waar ze het over hadden. Wat een enorm geïsoleerd einde van deze aarde…

We maken nog een turbulente tussenlanding in Pasema, in de smalle kloof van de Baliem, om een patiënt op te halen. De sterke wind tussen de bergen trekt het vliegtuig alle kanten op, maar we komen veilig neer op de steile landingsbaan. Je moet hier wel veel vertrouwen hebben. In de piloot van de MAF. En in God!

Die nacht schudt de aarde. Ik wordt er even wakker van, maar ben te moe om op te staan, en de aarde wiegt me weer in slaap. De volgende morgen hoor ik: 6.2 op de schaal van Richter. Mensen zijn in paniek uit hun huizen gevlucht, en de woning van IJsselstein heeft scheurtjes opgelopen onder de vensterbanken. Dit was hier de 5e aardbeving in enkele weken tijd…

En dan zit ik weer in mijn gerieflijke onderkomen in Wamena: gas, licht, stromend warm en koud water, koelkast, supermarkt aan de overkant, fiets in de schuur… Wat zijn die evangelisten opeens ver weg!

Het worden nog een paar drukke dagen Wamena. Op SETIA (de bekende opleiding in Jakarta die hier ook een dependance heeft) geef ik een uitgebreide presentatie van LITINDO. Ik heb ca. 50 studenten en docenten onder mijn gehoor, en nog een stuk of 20 die op de gang zitten mee te luisteren. Ze hadden me graag nog een paar lessen dogmatiek willen laten gegeven, maar ik heb voor de volgende dagen mijn afspraken met de Theologische opleiding van de GerGem. Dat valt gedeeltelijk in het water, omdat ze ‘vergeten’ zijn om de studenten te vertellen dat ik die donderdagmiddag zou komen. Maar de tweede middag ontstaat er een levendig gesprek naar aanleiding van wat ik vertel over het verschil tussen de Gereformeerde en de Remonstrantse opvatting over de uitverkiezing. Hoe is de verhouding tussen de verkiezing en het laatste oordeel? En hoe zit het met het oordeel dat God in deze tijd voltrekt aan ongelovigen, zoals bij de zondvloed, of bij de volken van Kanaän? Ze gaan ook onderling in discussie: degenen die het denken te snappen proberen op hun beurt het verschil uit te leggen aan anderen die er nog moeite mee hebben. Na afloop zijn ze allemaal erg enthousiast. En ik ook: dit is zinvol, dit laat iets zien van de vragen die er leven.

Gistermorgen ben ik weer teruggevlogen naar Sentani. Meteen een ontmoeting met Dick Kroneman, een uitgezondene van de GerGem die hier al 25 jaar werkt voor Wycliffe. Hij vertelt over de recente discussie die binnen Wycliffe is gevoerd over de vertaling van de term ‘Zoon van God’. Hij is daar zelf nauw betrokken geweest. Sommige vertalers bleken die term te hebben weergegeven met ‘Messias’. Maar dat is in feite geen vertalen meer. Op die manier probeer je een theologische probleem op te lossen in de vertaling. Er kwam dan ook protest vanuit de Bijbelgetrouwe achterban van de organisatie. Vervolgens probeerden die vertalers hun keuze theologisch en exegetisch te verantwoorden, o.a. door te stellen dat de term ‘Zoon van God’ in de Bijbel anachronistisch gebruikt wordt, net zoals ik bv kan zeggen dat mijn vrouw in Heemserveen geboren is, terwijl ze toen natuurlijk nog niet mijn vrouw was. Maar de onderbouwing dat dit met die term ook het geval is, laat zich volgens Dick exegetisch niet echt hard maken. En zet je zo niet de deur open om ook allerlei andere termen in de Bijbel op die manier te gaan weg interpreteren? Erg interessant allemaal, vooral omdat ik in mijn hoofdstuk voor de dogmatiek die we van LITINDO aan het schrijven zijn, me ook met dit onderwerp heb beziggehouden, gestimuleerd door wat prof. Van Bruggen daarover geschreven heeft in Het Evangelie van Gods Zoon. We spreken af dat Dick mijn stuk vanuit deze Wycliffe-discussie van commentaar zal voorzien.

Vandaag word ik bij de kerk van twee kanten benaderd voor het opzetten van een gemeente-bibliotheek. Waena wil dat gaan doen (hier aan de kust), en ook Manggelum (in het binnenland). Wel een mooi initiatief, en als het lukt wellicht ook een voorbeeld voor andere gemeenten. Ik beloof hen een lijst van boeken op te sturen, zodat ze kunnen kijken welke boeken ze daarvoor zouden willen bestellen. Ben benieuwd! Als het maar niet stukloopt op de financiering…
In Wamena doet één van de blanken een suggestie: jullie zouden een boek moeten schrijven over kerk en politiek, zegt hij. Niet alleen omdat zoveel pendeta’s de politiek in gaan, maar vooral omdat de politiek de kerk gebruikt, en de kerk zich door de politiek laat gebruiken. Bij verkiezingen bv belooft een partij van alles aan een pendeta, maar daar staat dan natuurlijk vervolgens wel wat tegenover. De pendeta’s zijn voor de politiek van groot belang, omdat zij zo’n beetje de enigen zijn die het vertrouwen van de bevolking genieten. Zij zijn immers niet door de overheid aangesteld. Maar dat de kerk een onafhankelijke positie ten opzichte van de politiek zou moeten bewaren, en ook een profetische taak heeft tegenover de politiek, beseft men totaal niet. En dan hebben we het nog niet eens over de verstrengeling van financiële belangen. Een goede suggestie, maar makkelijker gezegd dan gedaan! Toch wel belangrijk genoeg om serieus over na te denken.

Aan het eind van deze reis verschijnt aan de horizon al weer de volgende reis. Deze week kreeg ik onverwacht een vraag van de decaan van de theologische faculteit van de Universiteit op Ambon, wanneer ik daar weer eens kwam lesgeven. Stimulerend! Maar eens kijken of en wanneer dat ergens valt in te passen. En In Wamena heb ik samen met Marcel alvast wat lijnen uitgezet voor een survey op het voorkomen van tbc, malaria, en HIV/AIDS in Wanggemalo, in samenwerking met de Kalvari-kliniek, als Dineke daar komende zomer weer twee maanden naar toe gaat.
Maar eerst nog een weekje Sentani en Jakarta!

A Dieu!
Jaap

20-03-2012 15:32

Boma, 18 maart 2012

“Dat mag niet jongens! Eruit!” Midden is een stroom Papua-maleis vallen opeens deze puur Nederlandse woorden. Hoor ik dat echt goed? Inderdaad, hij zegt het nog een keer: Papua is van ons, en de Indonesiërs zitten ons dwars, dus die moeten weg! “Dat mag niet jongens, eruit!” Betul! Papua voor de Papua’s!

Keer op keer schiet hij me aan. Telkens wil hij me nog weer ‘even’ wat vertellen, over de ´geschiedenis van Papua’, zoals hij die ziet, en steeds gaat het over hetzelfde: die Indonesiërs die hier niets te zoeken hebben. Kubokho, vroeger een geduchte figuur hier in Boma en in de wijde omtrek, en een heiden pur sang. Inmiddels gedoopt, laat ik me vertellen. Maar het is een zielige, dementerende oude man, al maar schuifelend door het dorp, op zoek naar mensen die hem willen aanhoren. Jongelui staan er wat lacherig naar te luisteren, kijken elkaar veelbetekenend aan, vinden hem vermakelijk. Niemand neemt hem echt serieus.

Begin deze week ben ik met de MAF vanuit Wamena naar Wanggemalo gevlogen. Ik kom in een leeg huis. De polik, die hier een aantal jaren was gevestigd, is inmiddels verhuisd naar het nieuwe gebouw dat daarvoor in het dorp is neergezet. Maar met de medicijnen en medische apparatuur zijn ook alle matrassen, het keukengerei, en wat er verder ook maar in huis was, verdwenen. Het is wel netjes geveegd. Irene heeft met haar man Semuel alles in orde gemaakt. Ze dachten dat Dineke er ook zou zijn. Jammer, nog even geduld!
Op de pendopo staan twee naaimachines. Ze doen het niet meer, en er ontbreken allerlei onderdelen. De andere twee machines hebben ze meegenomen naar het dorp. Maar die zijn intussen ook stuk. Omdat de kinderen er aan hebben gezeten, zeggen ze. Zal wel, maar daarom hadden ze die machines ook gewoon in ons huis moeten laten staan.
Tot mijn verrassing zijn er nog wel twee zonnepanelen achtergebleven, en een stel oude accu’s. De volgende dag lukt het me één van die accu’s weer aan de praat te krijgen en een lichtpunt te creëren in het donkere huis.

In het dorp wordt hard gewerkt: Zoals ik al had gehoord hebben ze van het bestuur grof geld gekregen; daarvoor moeten ze nu met grind en cement verharde wegen door het dorp aanleggen. Best wel een verbetering, maar het geld staat in geen verhouding tot de te leveren prestatie. Vorig jaar is Wanggemalo de hoofdplaats van het nieuwe district Kombai geworden. De opdeling van de grote oude districten een aantal kleinere heeft als voornaamste reden dat er dan voor de mensen in die districten meer geld beschikbaar komt, en de lijn naar de bevolking ook korter wordt. Maar de kerk staat er ondertussen vervallen bij, hoog nodig toe aan onderhoud, of beter: nieuwbouw. Maar daar zie ik niemand aan werken… Een evangelist die hier vanuit Boma geplaatst is klaagt dat de gemeente de beloften van de beroepbrief niet nakomt. Hij zelf doet daarom ook maar niets meer.

Donderdag ga ik op weg naar Boma. Het eerste traject is naar het dorpje Ndema, gelegen aan de Rufu, een zijrivier van de Manggono. Een aardig eind lopen, op zich goed te doen, maar omdat het de laatste dagen stevig geregend heeft, lopen we in de buurt van de Rufu vast. Het bos is hier compleet ondergelopen, en als we een uur tot aan onze knieën, en soms tot ons middel door het water hebben gewaad, komen we bij de snel stromende Rufu. De boomstam die hier normaal gesproken als brug dient, ligt meer dan een meter onder water. Boven water hebben ze wel een rotan gespannen, maar die biedt weinig houvast in die stroom. Met behulp van een paar jongelui aan de overkant wordt er daarom nog een boomstammetje in het water geplant. Met veel moeite lukt het nu om één van de rugzakken droog aan de overkant te krijgen. Als ik vervolgens zelf de overtocht waag, breekt het boomstammetje af, en hang ik midden in de rivier aan de rotan. Dan zit er weinig anders op dan verder te gaan zwemmen. Een eind stroomafwaarts kom ik aan wal, heerlijk opgefrist door het koele water. De anderen wagen de oversteek niet, en gaan stroomafwaarts op zoek naar een betere plek. Een half uur later komen ze aanlopen.

Ook in Ndema wordt aan de wegen gewerkt. Ook hier hebben ze daarvoor veel geld gekregen. Maar de kerk heeft veel weg van een varkensstal: de vloer staat half onder water, en de rest is modderig en groen uitgeslagen. Een evangelist is hier niet, en in 2004 is hier voor het laatst een consulent op bezoek geweest. Al die jaren geen Doop, geen Avondmaal, geen tucht, geen catechisatie. De gemeente verloopt, door sterfgevallen, door mensen die een tweede of derde vrouw trouwen. Men vertelt vol trots welke jongelui uit het dorp er al studeren. Maar niemand lijkt zich om de kerk te bekommeren…

De volgende dag lopen we naar het volgende dorp, Fifiro, aan de bovenloop van de Manggono. Op de normale weg blijkt het water te hoog gestaan. We gaan terug, en nemen de weg naar Boma, en steken dan een heel eind verder door naar de monding van de Rufu. Ook hier krijgen we te maken met rivieren die buiten hun oevers zijn getreden. Verschillende keren moet er een boom gekapt worden om een oversteek mogelijk te maken. Het laatste stuk vereist minder inspanning, in een door een motor aangedreven prauw van Ndema: vanaf hier is de rivier bevaarbaar.

In Fifiro kijk in mijn ogen uit: twee jaar geleden nog half vervallen kamponghuizen, nu wordt er hier een modeldorp uit de grond gestampt: wel doortimmerde huizen keurig in het gelid, onder blauw aluminium daken. Uiteraard ook weer met geld van de regering. Er staan verschillende generatoren, en er wordt gewerkt met elektrische schaafmachines.
Er staat hier ook een redelijk kerkje, gebouwd door SETIA, toen die even een dependance in Boma had. Er heeft hier ook een tijdje een evangelist van SETIA gewerkt, maar die heeft het kennelijk niet vol kunnen houden. Nu is er niemand. Als de schoolonderwijzer er is, leidt die de zondagse dienst(en). Maar verder is het hier hetzelfde verhaal als in Ndema: al jaren lang wordt er niet naar deze gemeente omgekeken. En stilstand is achteruitgang…

Het is een emotionele week. Het grijpt je aan, die kwijnende gemeenten, wat blijft er van over… En je maakt je kwaad op die consulent die maar niet komt, ook al weet je dat hij nog een hele reeks andere gemeenten onder zijn hoede heeft. Maar bijna 8 jaar is toch wel erg lang!
Emoties, ook door zoveel ontmoetingen met oude bekenden, die vol trots hun kinderen en kleinkinderen aanwijzen. Anderen, die in 1994 als kind bij ons afscheid aanwezig waren en zich dat nog wel kunnen herinneren.
Ayare in Wanggemalo, trouw en vriendelijk als altijd, maar nog altijd geen enkele interesse in de kerk. Zijn dochtertje Agustina is onlangs overleden: ze was aan het eind van de middag alleen op de vliegstrip wezen lopen, vertelt hij, en toen had een suangi (‘heks’) haar ‘gedood’, en toen ze vervolgens thuis kwam en de volgende dag met haar moeder het bos in ging, werd ze door een slang gebeten en zat ze dood bij haar moeder op de rug toen die weer terugkwam in het dorp.
Wonomayo in Fifiro, die me destijds vele malen in zijn prauw van Fifiro naar Uni bracht; ik logeer nu in zijn huis.
De oude Rowo in Uni, met wie we zo veel te stellen hebben gehad, en die ver vóór mijn tijd als jonge kerel samen met ds. Van der Velden vanuit Boma dit dorp heeft geopend.
Mesakh, de zoon van Willem (die 16 jaar lang mijn trouw hulp was, en kort daarna kwam te overlijden). De vorige week verloor hij zijn vrouw: ze overleed bij de bevalling, evenals de baby, hun eerste.
Agustina, de oudste dochter van Geyo. Ze komt in Boma naar me toelopen, en omhelst me. Ze was net als Emira een speelkameraadje van onze Nieke. Nu is ze getrouwd met een zoon van Kawangtet, en heeft een zoontje van een jaar, Yeschurun.
En nog zoveel anderen. Mantri Wangge, nog altijd in functie. De weduwe van Pius, die zich huilend aan me vastklemt. Haar man kwam een aantal jaren geleden om het leven op de thuisreis na een kerkelijke vergadering in Tanah Merah. En niet te vergeten Seli, die ik vanuit Boma via de radio spreek, en die me alsnog feliciteert met mijn verjaardag – ik wist het: zij houdt dat allemaal attent bij; ze was jaren lang onze trouw hulp in huis. Nu is ze al weer jaren getrouwd met Herman Korwa, één van de predikanten van de GGRI.

Herman Korwa is het, die ik zaterdag, als ik na een lange tocht over de Manggono en de Mapi – onderbroken voor een bezoek van een paar uur aan Uni – tot mijn verrassing in Boma ontmoet. En hij is het ook die zondagmorgen voorgaat in de dienst, met een preek over Romeinen 1:16-17, de tekst waarmee ik in 1977 door ds. S.S. Cnossen als predikant ben bevestigd: het Evangelie als kracht van God. Hoe is het mogelijk dat Paulus daar zo rotsvast van overtuigd is? Het Evangelie is toch gewoon een boodschap, het zijn alleen maar woorden… Ja, maar wel woorden van God, de Scheper, de Almachtige. Wie zou Zijn Woord van zijn kracht kunnen beroven, of die kracht kunnen tegengaan?! Gods kracht werkt in de verkondiging van het Evangelie, als een tweesnijdend zwaard. Dáárom kan het Evangelie mensen tot geloof brengen!
Ik ben diep ontroerd. Deze preek, deze boodschap, op dit moment, na die ontmoedigende bezoeken van de afgelopen week. Dit helpt mij er weer bovenop! Wat is Gods leiding soms wonderlijk… Zijn kracht moet het doen, en zal het ook doen. Dat kun je rustig aan Hem overlaten. Als je daar niet rotsvast van overtuigd bent, kun je hier maar beter ophouden. Het hangt uiteindelijk niet af van een consulent die op bezoek komt, of van een gemeente die goed voor een evangelist zorgt, of van een evangelist die het kan volhouden. “Vertrouwen op de Geest van God, die door alles heen werkt! Vertrouwen dat God niet laat varen wat Zijn hand begon.” Regels uit een gedicht aan de muur in het zendingshuis in Boma.

Zondagavond ben ik te gast op de SAP, de Praktische Bijbelschool. Voor 38 evangelisten die deze cursus volgen, en de drie nationale docenten: pendeta Herman Korwa, pendeta Yulianus Kiam, en pendeta Daniel Infaidan, mag ik iets vertellen over LITINDO, en over de boeken die het laatste halfjaar zijn verschenen. Na bijna elk boek ontstaat een discussie, waarin men vertelt hoe actueel en belangrijk deze boeken zijn, juist ook nu hier op Papua! De GGRI wordt door anderen bevraagd over het waarom van de kinderdoop, en er zijn zelfs al mensen uit onze kerken die zich op een massabijeenkomst in Tanah Merah hebben laten overdopen. Het gevaar van de charismatische beweging is niet iets waar we straks mee te maken zouden kunnen krijgen, maar een gevaar dat al midden onder ons is! En het gebed: laatst vroeg één van de cursisten aan pendeta Kiam om een boekje over het gebed: hoe we moeten bidden, wat we mogen bidden, wat we van het gebed mogen verwachten. En zo’n eenvoudig commentaar op Handelingen is natuurlijk meer dan welkom!
Uiteraard krijgen we het over hoe ze die boeken kunnen krijgen. Het probleem van de distributie, en van de betaalbaarheid van deze boeken voor arme evangelisten aan de bovenloop van de Kolff, of in een dorpje midden in het dichte oerwoud van de Korowai. Voor de SAP krijg ik alvast een bestelling mee: 50 exemplaren van Roep Mij aan (van H. Westerink) en van Gereformeerde Kanoniek (van de oud-docent van de STM in Boma, wijlen ds. Daan Zandbergen).

LITINDO is als een fabriek die de leer van de Gereformeerde kerk voortzet, zegt pendeta Kiam; “laat LITINDO alsjeblieft niet ophouden: dit is de ruggegraat, die kracht geeft aan onze Gereformeerde identiteit!” Bemoedigende woorden. Maar het meest bemoedigd ben ik door het feit dat er hier bijna 40 evangelisten zitten, die morgen weer uitvliegen naar alle windstreken met het Woord van het Evangelie. Gods reddende kracht voor allen die geloven!

A Dieu!
Jaap

12-03-2012 01:13

Wamena, 11 maart 2012

Eergisteren is onze moeder gestorven; vandaag is de derde dag, en met deze dienst sluiten we de rouwperiode af. Morgen rouwen we niet meer. Jezus is gestorven, en op de derde dag opgestaan! We zijn van Hem. En zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben!

Wusèrem, een klein dorpje aan de samenvloeiing van de Mugi en de Baliem. Ik ben hier ‘toevallig’ verzeild geraakt. Omdat ik deze week geen vlucht naar Wanggemalo of Boma kon krijgen, heb ik zomaar opeens een paar ‘vrije’ dagen. Dus de wandelschoenen tevoorschijn gehaald en de bergen in. Moederziel alleen, maar ik ken de weg, en heb er geen behoefte aan om door een of andere gids op sleeptouw genomen te worden. Waar ik loop is het schitterend weer; ver achter mij trekt boven Wamena de lucht dicht en hoost het er voor het eerst sinds lange tijd. Fijn voor al die mensen die tekort aan water hadden!

Aan het eind van de middag kom ik in Ugem, een dorp hoog tegen de bergen aan de ingang van de Mugi-vallei. Het wordt tijd om een slaapplek te zoeken. Vriendelijke mensen wijzen mij een ‘hotel’, zo van een afstand te zien niet meer dan een houten bivak. Heb ik niet veel zin in. En dus vraag ik de mensen of ze mantri (gezondheidswerker) Ham Lokon kennen; vanmorgen was ik nog even bij Sue, en zij vertelde dat die hier ergens moet werken. Die beide namen van Sue en van die mantri doen de mensen op slag ontdooien. Opeens ben ik voor hen geen toerist meer. Ze brengen me naar de rand van de heuvel, en wijzen naar een paar huizen ver beneden in de diepte: daar woont die mantri, helemaal niet ver! Nee, maar ik weet nog maar al te goed hoe hoog en steil die afdaling is. In 2010 zijn Dineke en ik met veel moeite langs die weg naar boven geklauterd! Maar goed, het moet kunnen, en dus neem ik afscheid van de mensen, en begin aan de afdaling. Weer helemaal alleen.

Ondertussen is het weer nu ook hier omgeslagen. Prachtig om te zien: die regen die daar beneden die een regenboog tegen de bergen doet oplichten. Maar als het begint te miezeren, wordt het minder leuk! De afdaling vraagt sowieso al je volledige concentratie, maar de regen veroorzaakt een gladheid die het ronduit gevaarlijk maakt. Maar er is geen alternatief, dus maar gewoon de tijd er voor nemen.
Eindelijk ben ik beneden, en kom ik bij het huis dat ze me boven hebben aangewezen. Potdicht, alles op slot, geen mens te zien! Ook de andere huizen in deze kleine gemeenschap zijn volledig verlaten. Alleen een magere hond scharrelt rond en kijkt me achterdochtig aan. Het lijkt erop dat ik een probleem heb! Het is intussen kwart voor vijf. Weer terug die heuvel op zie ik echt niet meer zitten. Verder gaan ook niet: ik heb geen idee hoe die weg is en hoever ik dan moet gaan voor ik ergens mensen vindt. Ik ga op een droge plek zitten bij het hoofdpad, in de hoop dat er iemand langs komt die me kan helpen. Ik voel me nu toch wel behoorlijk alleen…

Een kwartiertje later zie ik achter mij iemand over het grasveld tussen de huizen lopen. Ik er achteraan. Het blijkt een oude man te zijn, die geen woord Indonesisch spreekt. Maar als ik de naam van de mantri noem houdt hij een heel verhaal, en wijst ergens naar de bergen aan de andere kant van de rivier. Daar zal hij dan wel ergens zijn, maar hoe ver, en voor hoelang? Ik maak een gebaar van slapen. Dat begrijpt hij, en hij wenkt me mee te komen. Zijn hut blijkt een eindje achter die van de mantri te staan. Zo slaap ik die nacht samen met die oude baas, zonder dat we ook maar één woord van elkaar verstaan. Er is geen eten of drinken. Gelukkig heb ik nog een paar komkommers en mandarijntjes, die deel ik met hem, evenals een stuk chocola dat ik van huis heb meegenomen. Als we ons al allebei al op het stro op de grond hebben neergelegd om te gaan slapen, horen we in de hut naast ons een vrouw thuiskomen. Even later komt die een bordje met wat witte rijst brengen. Maar ook met haar blijkt geen communicatie mogelijk. Ik ga weer liggen. De hele nacht hoor ik in de diepte het donkere bruisen van de Baliem; het is hier nooit helemaal stil.

De volgende morgen neem ik afscheid van de vriendelijke baas. Ik heb besloten om vandaag nog een stukje verder te gaan, en dan vanmiddag hier weer terug te komen; wie weet is de mantri er dan wel. Het is maar goed dat ik gisteren niet verder ben gegaan, want de weg daalt steil af in het ravijn van de Mugi-rivier. Ik kom bij de brug die er boven dat kolkende water gelukkig solide uitziet. Eerst maar wat foto’s maken. Als ik daar mee bezig ben, komt er een man van de andere kant aanlopen, die me de hand schudt en vraagt waar ik vandaan kom, en waar ik heen wil. Fijn weer iemand te ontmoeten met wie je kunt praten! Als ik vertel dat ik gisteren op zoek was naar mantri Ham Lokon, zegt hij: ja, maar dat ben ik! Hij moet het twee keer zeggen voor het tot me doordringt: dat verwacht je op zo’n moment totaal niet.
Hij vertelt hoe het komt dat alles hier de vorige avond zo verlaten was: eergisteren is zijn moeder overleden, en ze zijn nu met z’n allen in de kleine nederzetting vlak aan de overkant van de rivier. Vandaag is de derde dag, de dag dat ze de rouwperiode met een dienst en een gezamenlijke maaltijd afsluiten. Hij nodigt me uit vandaag bij hem te blijven. Even later lopen we aan de overkant het steile pad op naar boven, en daar in dat dorp maak ik die dag alles mee, en praat met tal van mensen. Tussendoor neemt de mantri me mee naar nog weer een ander dorp, een heel stuk verder omhoog, met een schitterend uitzicht over de Baliemkloof. Dit is het eigenlijke Wusèrem.

Rond een uur of twee begint de dienst. Niet in de kerk, maar midden in het dorp. Iedereen neemt plaats op plankjes die op de grond zijn gelegd. Ik houd mijn pet op: de zon brand fel, en mijn haren bieden maar weinig bescherming meer. De oude man naast me heeft hetzelfde probleem. Alleen met het bidden gaat zijn pet af. Onder begeleiding van een gitaar gaan we zingen; en het kernwoord van één van de eerste liederen is bersukaria: wees blij! Het wordt een fantastische middag, daar in de brandende zon. Ik moet denken aan het woord van de Prediker: Het is beter te gaan naar een huis van rouw dan te gaan naar een huis van feestgelag… (7:2) Ik voel het echt als een leiding van de Here dat ik hier vandaag terecht ben gekomen. Ik ging op pad om te genieten van de grootsheid van de schepping, maar kreeg daarbij nog iets veel mooiers: een blik in het leven van een geïsoleerde gemeente op één van de kernmomenten van het menselijke bestaan. Een dag om nooit te vergeten. Trouwens ook een stukje fieldtasting zoals dat één van de doelstellingen is op onze LITINDO-reizen.

Fieldtesting (de andere doelstelling) deed ik eerder deze week. Aan de Theologische Opleiding van de GJPI (ontstaan als zegen op het zendingswerk vanuit de Gereformeerde Gemeenten) behandelde ik het eerste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels. Voor LITINDO ben ik momenteel bezig met de vertaling van een commentaar op dit belijdenisgeschrift, van de hand van rev. Art van Delden van de Free Reformed Churches of Australia. De eerste dag is ontnuchterend. Op mijn vraag op grond waarvan God ons heeft uitgekozen, en anderen niet, komt het zelfverzekerde antwoord: op grond van onze werken! En denk nou maar niet dat er hier nog nooit eerder les is gegeven over dit onderwerp! Mijn vraag blijkt een maand eerder een tentamenvraag te zijn geweest… Werk aan de winkel dus! Ik zet ze de volgende dagen in groepjes aan het werk om de voorlopige vertaling per paragraaf te bespreken. Gelukkig komen er dan ook antwoorden die van een beter begrip blijk geven.

Tussen de lessen is er ook tijd voor een bezoek aan de Kalvari-kliniek. Op deze vanuit de GIDI-kerk opgezette kliniek richt men zich vooral op ziekten als Aids, TBC, en geslachtsziekten; die eerste twee gaan hier trouwens hand in hand, vertelt Marcel Kooijmans. Hij werkt hier voor World Team, gesponsord door DVN, en begeleidt het medische team organisatorisch. Hij geeft me een rondleiding en laat zien hoe iedere nieuwe patiënt eerst naar de onderzoekkamer gaat. Als de uitslag er is gaan ze door naar de medicatie, en vervolgens naar de apotheek om de medicijnen op te halen. Voor ze dan naar huis gaan, komen ze eerst nog in de ruang doa, de gebedsruimte. Daar zit een pendeta van de GIDI om hen te begeleiden en met hen te bidden. Marcel vertelt dat er hier regelmatig mensen christen worden. Laat kwam er een meisje die ook christen was geworden, een paar week later terug: ze had een probleem… “Nou vertel maar eens dan.” “Wel, ik heb een vriendin, en die wil misschien ook wel christen worden, maar ze is nog niet ziek…”
Het team van ca. 20 verpleegkundigen, laboranten, administratieve werkers, en een pendeta (tot nu toe allemaal Papua´s) doet fantastisch werk. Maar er is uitbreiding nodig, zegt Marcel. En er moet ook een dokter komen. Eén van de verpleegkundigen is daarvoor naar Menado, om te proberen Papua-studenten geneeskunde hiervoor te motiveren.
In het kantoortje staan duizenden patiëntendossiers. Voor de kliniek zitten een stuk of 15 patiënten te wachten tot ze aan de beurt zijn. Er waren vanmorgen veel meer, maar de anderen moeten later in de week terugkomen. Er wordt niet veel gepraat, en er hangt een wat gelaten sfeer. Begrijpelijk: hun situatie lijkt zo donker en uitzichtloos. Maar op deze kliniek doen ze hun best om te laten zien dat er wel degelijk licht en toekomst voor hen is. Door de medicijnen. Maar meer nog door het Woord van onze God!
En geldt dat niet voor ons allemaal?

A Dieu,
Jaap

06-03-2012 10:54

Wamena, 4 maart 2012

Onlangs kwam er een kerkleider uit Sentani naar Wamena bij Sue op bezoek. Hij wil graag iets zien van haar ministry. Sue neemt hem mee in de auto en rijdt naar het eind van de landingsbaan, waar naast de vuilnisbelt de begraafplaats is voor de arme mensen. Daar stopt ze. De man kijkt haar bevreemd aan: wat hebben ze hier te zoeken? Wel, zei Sue, je wou toch iets van mijn werk zien? Nou, dat is hier! Hier komen wij zeker drie keer per week de mensen begraven, als je uitstapt zal ik het je laten zien: al de verse graven van de afgelopen weken en maanden. De beste man begint te huilen…


Het is natuurlijk ook om te huilen! AIDS is een regelrechte epidemie geworden, screening levert percentages op onder jongeren die de hoogste zijn in heel zuid-oost Azië (rond de 50%), en er is niet veel rekenkunst voor nodig om te kunnen voorspellen dat de bevolking hier in de nabije toekomst gedecimeerd zal worden. Maar de overheid mag het dan nu (eindelijk!) als een probleem erkennen, tot grote frustratie van Sue staat het nog steeds niet op de agenda van de kerken. Het zou toch topprioriteit moeten hebben!
Sue is een Ierse verpleegkundige, die hier al zo’n 33 jaar werkt. Ooit deden we in 1977 samen de SIL-cursus in Engeland, niet wetend dat we elkaar hier op Papua weer tegen zouden komen. Met ons gezin zijn we enkele malen bij haar vakantie wezen houden; toen woonde en werkte ze nog in Soba, een plaats in een kleine vallei naast de kloof waardoor de Baliem-rivier zich een weg baant naar het laagland in het zuiden van Papua waar ook ergens Wanggemalo ligt. Toen al werkte ze naast haar medische werk ook aan een Bijbelvertaling in het Hupla, de taal van de mensen in die vallei. Inmiddels is die vertaling af en gecheckt en nog eens gecheckt, goedgekeurd door Lourens de Vries, en klaar om uitgegeven te worden door het Indonesische Bijbelgenootschap. Nu blijkt echter dat ze zelf geacht wordt om de vertaling print-klaar aan te leveren. En dus gaat ze er (samen met haar taalhulp) noodgedwongen nog weer een keer helemaal doorheen: perikopen indelen, illustraties er bij plaatsen, de bladspiegel verzorgen. “En het is zo’n dik boek, die Bijbel!”, verzucht ze, “en look at me, ik ben maar een gewone verpleegster!” Nee Sue, een buitengewone!

Ook in de Kombai van Wanggemalo wordt Bijbelvertaalwerk gedaan. In Sentani ontmoet ik Sung Kyu en zijn vrouw Ji Sook, een Koreaans echtpaar dat voor Wycliffe werkt. Ze komen net terug van een paar weken Wanggemalo. Ik word niet echt blij van wat hij te vertellen heeft: de bevolking is helemaal in de ban van het geld. De regering van Jakarta pompt enorme bedragen in deze provincie, voornamelijk uit politieke motieven, en zonder al te goed doordacht ontwikkelingsbeleid. Van alle kanten hoor je daarover schrikbarende verhalen. Sung Kyu vertelt dat er vorige week in Wanggemalo 300 miljoen rupiah is uitgedeeld, omgerekend zo’n € 25.000,-. Daar moeten ze dan wel een cementen weg voor aanleggen door het dorp, zodat ze niet meer door de modder hoeven te baggeren in de regentijd, maar het één staat tot het ander in geen verhouding. En wat moeten ze met zulke bedragen? Slimme jongens beloven ze nog veel meer, als ze hun geld bij hen willen beleggen. De mensen staat in de rij, maar worden waarschijnlijk bedrogen waar ze bij staan…
Sung Kyu heeft het boek Rut vertaald, en laat me er ook audio-opnamen van horen. Hij is nog met verschillende andere projecten bezig in de Kombai. Maar de afgelopen weken heeft hij in Wanggemalo aan taalwerk dus niet veel kunnen doen.

Inmiddels ben ik hier in Wamena, in de uitgestrekte Baliemvallei, die zo’n 2000 meter hoog tussen de bergen ligt. De grootste stad ter wereld die voor 100% afhankelijk is van een luchtbrug: vrijwel alles wat hier gebouwd, gegeten, en verhandeld wordt, komt met vliegtuigen uit Sentani en Biak. Alle auto’s en motoren hier (en het zijn er elk jaar weer meer) zijn door de lucht aangevoerd, evenals alle brandstof waar ze op rijden. Geen wonder dat alles hier dubbel zo duur is als aan de kust. En voor benzine betaal je hier haast net zoveel als in Nederland.
De komende week ga ik hier aan aantal dagen lesgeven aan de Theologische Opleiding van de GJPI, dat zijn de kerken die voortgekomen zijn uit het zendingswerk van de Gereformeerde Gemeenten. Vanmorgen ben ik bij hen naar kerk geweest, een grote kerk vol Papua’s: Yali’s uit de Pass Vallei, Una uit het gebied van Bomela en Langda, en de Nipsan: de drie stammen in de bergen rond deze vallei waar de Gereformeerde Gemeenten hun zendingsgebied hebben, of beter gezegd: hadden, want ook deze kerken zijn inmiddels zelfstandig geworden. Ongelooflijk eigenlijk, als je je realiseert dat deze vallei pas vlak voor de 2e Wereldoorlog werd ontdekt, en dat het zendingswerk hier pas in de jaren 50 echt goed van start is gegaan! Het maakt je ook bescheiden in het oordeel over deze kerken; natuurlijk ontbreekt er in onze ogen nog heel veel aan, maar is dat zo gek? Het is een wonder dat er al zoveel is!

Wamena lijkt wel overgenomen door de Nederlanders, zegt Sue. En inderdaad, het zijn er heel wat tegenwoordig. Ik tel zo al 7 gezinnen. Ze vliegen voor de MAF, begeleiden mensen die piloot willen worden, werken aan de Theologische Opleiding, of voor ontwikkelingsprojecten van Oikonomos, produceren Bijbels materiaal voor jeugd en jongeren, of werken op de Kalvari-kliniek. Maar als ik vanmiddag de internationale dienst bijwoon op het terrein van de MAF, ontmoet ik toch ook heel wat Amerikanen, Duitsers en Zwitsers. Allemaal zijn ze op een andere manier betrokken bij de opbouw van de kerken hier op Papua.
Marcel Kooijmans heeft vandaag de leiding, en doet dat op een enthousiaste en stimulerende manier. We zingen bij de gitaar, opwekkingsliederen. De meeste zijn mij onbekend. Maar aan het slot zingen we ook nog een paar die ik wel ken; Like a deer pants for the water… Ik moet denken aan Soba, waar we op een zondag lang geleden in een dienst in één van de dorpjes in die vallei samen met Sue voor in de kerk dat lied zongen. Herinneringen…
Halverwege de bijeenkomst is het gebedsgedeelte. Iedereen kan bidden waar hij of zij zich toe gedrongen voelt. Er wordt gebeden voor slachtoffers van de stormen in de USA (waar ik nog niets van wist), voor de Aidspatiënten hier in de Baliem, voor de straatkinderen van het project van Willie Berghuis (Marcel had er wat over verteld en er speciale aandacht voor gevraagd met wat foto’s op de beamer); voor een ziek familielied. We danken voor veilige vluchten, en voor een vrouw uit Nipsan die al vanaf woensdag aan het bevallen was, en gisteren emergency is uitgevlogen en hier een gezonde baby heeft gekregen. We bidden om regen (er is watergebrek), en om benzine (er dreigt tekort aan brandstof voor de vliegerij van de MAF). Voor de stammenstrijd rond Karubaga, hier een kwartiertje vliegen verderop. En nog voor zoveel andere dingen.
Aan het eind van de samenkomst nemen we afscheid van Isaac & Amber Rogers; ze hebben hier een aantal jaren gewoond (Dineke en ik hebben in 2010 een paar dagen bij hen gelogeerd), maar gaan nu verhuizen naar de MAF-basis in Oost-Kalimantan. We gaan samen letterlijk en geestelijk dicht om hen heen staan, en een aantal mensen gaat voor in dankgebed voor wat ze hier mochten betekenen, en draagt hen op aan de zorg van de Here. Ontroerend en aangrijpend. Ook wel hilarisch, als iemand bidt dat er daar op Kalimantan toch maar goede restaurants mogen zijn voor Isaac (hij houdt zo veel van lekker eten).
Als ik tegen de avond terug loop naar huis, zingt het in me. Wat is dit mooi om mee te maken! Het feit alleen al dat je met zoveel mensen met zo verschillende achtergrond bij elkaar zit, die allemaal zich inzetten voor de kerken hier op Papua, en die zo om elkaar heen staan, elkaar troosten en bemoedigen, en samen hun kracht bij de Here zoeken. En dan samen zingen:

Send forth your Word, Lord
And let there be light!

Zo kunnen we de week weer in!
A Dieu,
Jaap

06-03-2012 10:53

Sentani, 26 februari 2012-02-26

Hoe oud zijn we eigenlijk? Waar moeten we beginnen te tellen? Bij deze eerste synode? Of bij de eerste doop? Maar wanneer was dat? En het is voor elke regio weer anders. Bij deze eerste synode? Maar daar is toch een hele geschiedenis aan vooraf gegaan; we bestaan al veel langer! Wanneer is onze gezamenlijke geschiedenis als Gereformeerde Kerken in Indonesië eigenlijk begonnen?

De discussie gaat een hele tijd heen en weer, maar eindelijk worden ze het eens: het begin ligt in de verklaring, die op 1 november 1976 in Kouh werd opgesteld door vertegenwoordigers van de kerken op Sumba en de jonge gemeenten op Papua: “Wij verlangen, om samen te leven op één grondslag, namelijk het Woord van God, zoals dat geleerd wordt door de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofbelijdenis en de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten, en om te komen tot een vorm die de geloofseenheid tot uitdrukking brengt en tot een kerkverband in Indonesië, (…)en om contact te leggen met de kerken, die door de Zending der Gereformeerde Kerken in Kalimantan Barat worden gesticht, en om contact te zoeken met alle kerken in Indonesië op dezelfde grondslag.”

Bij die gelegenheid, ruim 35 jaar geleden, werd ook gekozen voor de naam waaronder in de afgelopen week de eerste nationale synode van de GGRI werd gehouden, hier in Sentani op Papua. Een historische gebeurtenis! Twaalf broeders, uit elke regio vier, maken van woensdag tot en met zaterdag lange dagen om alle punten op de agenda af te werken. Ze hadden eigenlijk eerder willen beginnen, maar het wachten was op toestemming van de politie. Die moest komen uit de hoogste regionen in Jakarta. Tot ieders grote dankbaarheid en verwondering komt die toestemming op het laatst toch nog onverwacht snel! Een verhoring van gebeden in binnen- en buitenland. Het zat namelijk vooral vast op de aanwezigheid van een aantal buitenlanders: afgevaardigden van de zusterkerken in Nederland, Canada, Australië, en Papua New Guinea (PNG, het onafhankelijke oostelijke deel van dit eiland).

Na de officiële opening door een hoge vertegenwoordiger van de gouverneur van Papua, en na de toespraken van de buitenlandse gasten, gaan de synode onder leiding van een moderamen, samengesteld uit predikanten uit de drie regio’s, enthousiast aan de slag. Meteen maar met één van de belangrijkste onderwerpen: de theologische opleiding. Op de conferentie die deze kerken in 2008 in Kalimantan hielden was al afgesproken, dat de opleiding in Waingapu op Sumba de centrale opleiding van de drie regio’s zou worden. Maar in de praktijk is daar de afgelopen jaren nog niets van terecht gekomen. De kerken op Papua hebben intussen studenten gestuurd naar andere opleidingen op Java (Bandung) en in Wamena. De afgevaardigden van Papua leggen uit dat hun besluit uit pure noodzaak is genomen: omdat jaren geleden de opleiding in Boma is gestopt, is er al jaren geen nieuwe instroom van jonge predikanten op Papua, en als daar nu niet meteen wat aan gedaan wordt, zitten ze binnen afzienbare tijd helemaal zonder, omdat de huidige predikanten dan met pensioen zijn gegaan! De synode heeft daar wel begrip voor, maar benadrukt dat nieuwe studenten vanaf nu naar Waingapu moeten worden gestuurd. Aldus wordt besloten.

Tal van andere onderwerpen komen aan de orde. Belangrijke, zoals de kerkelijke structuur van de GGRI, de kerkorde, het lidmaatschap van de ICRC, een eventueel lidmaatschap van de PGI (de Raad van Kerken in Indonesië). Maar ook in onze ogen misschien wat minder belangrijke, zoals de verjaardag en het logo van de GGRI. Ook wordt er gesproken over een aantal concrete problemen uit de praktijk van de kerken: wat te doen als iemand na scheiding hertrouwt, mag een vrouw een kerkdienst leiden als er verder niemand aanwezig is, mogen behalve de predikant ook leden van de kerkeraad of de gemeente een actief aandeel hebben in de liturgie, is het wijs om tegenover de heidense gewoonte om voordat de padi (rijst) geplant wordt het zaaigoed te zegenen een soort speciale biddag te organiseren.
Opvallend is de nadruk waarmee de verschillende afgevaardigden uit elk van de drie regio’s hun waardering uitspreken over het werk dat nu al zoveel jaren door LITINDO voor de GGRI wordt gedaan. De boodschap is eenduidig, unaniem, en helder, en het staat geformuleerd in de acta: LITINDO is niet maar een partner van de GGRI, nee, de relatie gaat veel dieper: LITINDO heeft een plaats in het hart van de GGRI! Heel bijzonder is ook de betrokkenheid bij de ziekte van Gerrit Riemer en de gebeden doe voor hem worden opgezonden.

Na elke bespreking krijgen de buitenlandse afgevaardigden gelegenheid om eventueel nog iets over het onderwerp te zeggen, voordat er een besluit genomen wordt. Er heerst een sfeer van openheid en onderling vertrouwen die weldadig aandoet. En bovenal een sfeer van dankbaarheid, en een sterk bewustzijn dat ze hier met elkaar historische dagen schrijven in de geschiedenis van hun kerken! Heel bijzonder om dat mee te maken. Ook voor Karin, die samen met mij door BBK is afgevaardigd om deze synode bij te wonen: haar vader (ds. Van der Velden) behoorde tot de eerste generatie zendelingen die in het gebied van de GGRI op Papua het Evangelie mocht brengen. Vanmorgen brengt ze na de dienst in de gemeente van Waena de groeten over van haar moeder. Om stil van te worden!

Het is een mooie dienst, geleid door pendeta Madah Biha van Kupang. Na al de toespraken die er op volgen worden er heel wat handen geschud. Ik ontmoet drie kinderen van Seli, onze vroegere huishulp; ze studeren hier aan de universiteit. En tot mijn verrassing ook drie studenten uit Yaniruma en Wanggemalo: Lukas – een zoon van Natan, Manase – zoon van Banyo uit Yaniruma, en Boaz – afkomstig uit Mangge! Ook kinderen van Moesieri, en van Womsiwor, bekende namen van vroeger. Pijnlijker is de ontmoeting met Buta Yaluwo, eens een gewaardeerd predikant in Yaniruma, die gemeend heeft zich te moeten aansluiten bij de groep die zich opwerpt als de ‘echte’ Gereja Reformasi, en apart is gaan kerken; hij woont achter de kerk en komt net terug van hun eigen dienst…

Al met al een indrukwekkende week. De broeders zo zelfstandig en zelfbewust bezig te zien. Die discussies, telkens even onderbroken als er weer een vliegtuig laag overkomt – we zitten precies in de approach van het vliegveld. De stuk of zes airco’s waarvan er maar één een beetje functioneert – als de elektriciteit het tenminste niet laat afweten. De blijdschap en dankbaarheid, die niet alleen herhaaldelijk wordt uitgesproken, maar die je gewoon de hele week voelt hangen in de vergaderzaal. De hartelijke belangstelling voor je vrouw en kinderen – die ze in de meeste gevallen nog nooit gezien hebben. Tussendoor hebben we samen met rev. Van Delden uit Australië ook nog een plezierige en verhelderende ontmoeting met de BPS van de GGRI op Papua. Dat is het uitvoerend orgaan van de synode van de GGRI op Papua, die tussen de synode’s de kerk hier vertegenwoordigt.
En dan nog eens de persoonlijke gesprekken met zoveel mensen. Zoals met onze vroegere collega hier op Papua, Henry Versteeg, nu werkzaam in Port Moresby, die op de synode de kerken van Canada vertegenwoordigt.


Ook best wel vermoeiend, en ik ben elke keer weer blij als ik me ’s avonds laat achterop een ojek (motortaxi) naar mijn verblijf bij de MAF laat rijden. Een verfrissende rit: de wind waait je om de oren (nee, inderdaad geen helm), de geuren van afvalverbranding langs de weg, uitlaatgassen van het drukke verkeer, het aroma van de satébarbecues van de stalletjes langs de weg… Genieten!

Een hartelijke groet vanuit Sentani,
A Dieu!
Jaap

19-02-2012 07:39

Sentani, 19 februari

Alle volken moeten zich eenmaal voor Jezus buigen, en wij zullen samen met de engelen in de hemel ons loflied aanheffen: “Yesus, Yesus, Tuhan Kudus, dipuji kekal nama-Mu, Penebus!” (Jezus, heilige Heer en Verlosser, Uw naam zij eeuwig geprezen!”. Rohani 144, de Indonesische bewerking van “Daar ruist langs de wolken…”

Vanmorgen mag ik preken in de dienst van onze zusterkerken in Waena, een half uurtje rijden hier vandaan, halverwege Sentani en Jayapura. De kerk zit goed vol, ook veel jeugd. Ze vertellen me dat er momenteel wel zo’n 100 jongelui uit het binnenland hier op school zitten of studeren. Dat is fijn, maar het is nog veel mooier als ze dan ook naar de kerk komen. Ik schud verschillende een hand: uit Manggelum, uit Kawagit, uit Kouh. De meesten schijnen uit het stroomgebied van de Digul te komen.
Ouderling van dienst is Rumbewas; hij gaat me voor en overhandigt me de Bijbel. Daaruit lezen we vanmorgen Kolossenzen 1. Aan het slot van de brief vraagt Paulus deze brief ook door te sturen naar de gemeente van Laodicea. Kennelijk is de inhoud ook voor anderen van belang. En ook voor ons, en ik vraag de mensen om zó te lezen en te luisteren, alsof de brief rechtstreeks aan ons was geschreven. Dan blijkt de inhoud opeens hyperactueel! Ons christen-zijn wordt zo gemakkelijk gewoon, we weten het allemaal zo langzamerhand wel, en horen zelden nog iets nieuws, bidden regelmatig om vergeving, en om hulp en kracht bij ziekte en dood, en dat is het dan wel zo’n beetje. In plaats van dat we ons laten optillen en leven op het niveau van het Koninkrijk van de Zoon, waarin we zijn overgebracht! Wie zich dan laat meeslepen door sukuisme of nationalisme (Holland voor de Hollanders, Papua voor de Papua’s), heeft nog niet begrepen wat het betekent dat we onder Koning Jezus leven, Hollanders en Papua’s en Indonesiërs tezamen. En dat er geen macht ter wereld is waartegen Christus ons niet zou kunnen beschermen. Weg dus met alle toverij en taboes en horoscopen, en vertrouwen op de kracht van het gebed. Want wie bidt, doet een beroep op de kracht van Hem die alle macht heeft, in de hemel, op aarde, over wat we met onze ogen zien en over wat we niet kunnen waarnemen. Waarom zou je dan nog naar iets anders op zoek gaan? Ons leven is veilig bij Hem!

Donderdag ben ik hier in Sentani aangekomen. Volgende week zal hier de eerste nationale synode van onze zusterkerken gehouden worden. Afgevaardigden uit het binnenland van Papua, uit Sumba en Kupang, en uit Kalimantan Barat zullen hier de komende dagen bijeenkomen. Ook buitenlandse kerken zullen vertegenwoordigd zijn: behalve Nederland ook Australië en Papua New Guinea. Als het tenminste allemaal doorgaat, want de noodzakelijke vergunning van de politie is nog steeds niet afgegeven. Vanmorgen in de kerk leggen we dat aan de Here voor – Hij heeft immers alle macht!

Heb hier ondertussen al weer heel wat mensen ontmoet en gesproken. Ndiken, lang geleden evangelist in Uni in de Kombai, nu voorzitter van het organiserend comité van de synode. Pendeta Yan Korop, in ‘onze’ tijd predikant in Tiau, nu voorzitter van de BPS, zeg maar het uitvoerend orgaan dat de GGRI tussen de synoden vertegenwoordigd; in een andere kerkrechtelijke structuur zou je hem de voorzitter van de kerk noemen. Hij woont in het huis vroeger de familie Köhler woonde, op het terrein van de TRIS, de al lang niet meer bestaande Nederlandse school, waar drie van onze kinderen ook een aantal jaren op hebben gezeten. Het terrein biedt een treurige aanblik. De garage en het schooltje staan nog overeind, maar van het vroegere internaat is niets meer over, dat is één grote ruïne. Met veel moeite kun je nog zien waar de slaapkamers van de jongens waren, en de woonkamer, en de veranda. Het werk van groepen dronken Dani’s, de plaag hier op Pos-7 (zoals deze heuvel tegen de helling van de Cycloop heet). Vroeger was het hier rustig en veilig, maar de mensen wonen hier nu al lang achter hoge hekken.
Ik ga even aan bij Peter Jan en Maaike de Vries. Die zijn intussen hier naartoe verhuisd uit Sinimburu in de Korowai, vanwege de leeftijd van hun kinderen. Ze wonen vlak naast het zwembad. Terwijl we binnen zitten te praten, ziet een groep dronken Dani’s kans om binnen de omheining van het zwembad te komen, en een duik in het water te nemen. Daar blijft het niet bij, ze beginnen met stenen te smijten en vernielingen aan te richten. De gealarmeerde politie laat op zich wachten. Pas na herhaald bellen komt er eindelijk één agent op een motor aanrijden, maar die kan natuurlijk in zijn eentje niet veel uitrichten, en gaat weer weg. Toch zijn de herrieschoppers dan even later verdwenen. We nemen de schade op; de douche is losgerukt, het water spuit uit de afgebroken leiding. Peter Jan sluit de hoofdkraan af. Het is niet de eerste keer.
Volgens Peter Jan is de politie gewoon bang om hier te komen. Bang, dat de Dani´s zich dan massaal tegen hen zullen keren. Dani´s, dat zijn de mensen uit de Baliemvallei; er wonen er hier heel wat.

Wie ik hier niet tref is Sung Kyu en zijn vrouw Ji Sook, het Koreaanse echtpaar dat voor Wycliffe taalwerk doet in de Kombai. Ze zijn net afgelopen maandag vertrokken naar Wanggemalo, en komen pas de 27e weer terug, de dag dat ik van plan ben naar Wamena door te reizen. Nog maar eens zien, want ik ben natuurlijk wel erg benieuwd naar het laatste nieuws uit onze vroegere woonplaats!

Zaterdag krijg ik onverwacht telefoon van Emira, het vroegere vriendinnetje van onze Nieke. Ze belt vanuit Asiki, een plaats in de buurt van Merauke, helemaal aan de zuidkust van Papua. Daar woont ze nu samen met haar man en dochtertje van drie. Ze had mijn nummer gekregen van Roy, een Brabantse toerist die al jaren helemaal in de ban is van Papua. Het is de eerste keer sinds ons vertrek in 1994 dat ik contact met haar heb. Ze heeft wel verschillende keren geschreven naar Nieke, maar de taalbarrière was intussen te groot geworden voor de beide vriendinnen om te kunnen communiceren. Ze wil van alles weten: hoe het is met Nieke, en met de anderen. Zij vertelt over haar ouders, bapak Epius (die in Wanggemalo werkte) en ibu Kori (die jarenlang onze huishulp was). Op het laatst worden de emoties Emira te veel, en begint ze te huilen: ze had zo vaak gedacht, waarom belt Nieke niet, en waarom schrijft ze me niet… Ik probeer haar te troosten: we zijn haar heus niet vergeten, haar foto hangt nog altijd bij Nieke aan de muur, en de herinneringen aan vroeger staan gegrift in ons hart!

De herinneringen komen wel naar boven, hier in Sentani. Niet alleen door zo’n telefoontje, maar eigenlijk bij alles wat je ziet, overal loop je tegen het verleden aan. Zoals de weg naar kerk vanmorgen: vroeger smal en bochtig en vol kuilen; nu het hele eerste stuk langs het Sentanimeer vierbaans met een middenberm! Sentani wordt de hoofdstad van de provincie, in plaats van Jayapura, vertelt iemand.
Overal langs die weg zie je mensen zich klaar maken om naar kerk te gaan. Hele gezinnen staan te wachten op een taxi, kinderen op hun paasbest uitgedost, met een bijbeltje in de hand. Burgers van het Koninkrijk! Segala benua… (Rohani 144).

Een goede zondag!
A Dieu,
Jaap

Jakarta, 12 februari 2012

12-02-2012 18:59

Het is nog net zo chaotisch als anderhalf jaar geleden. De schroothoop onderdelen in het midden is vervangen door een ordeloze hoop dozen, maar verder is er weinig veranderd. De handel in naaimachine-onderdelen floreert! Er staan voortdurend klanten, en een stuk of zes bedienden sloven zich uit om hun wensen te vervullen.


Wie de vorige keer, in 2010, heeft meegelezen, weet het misschien nog wel: de onmogelijk opdracht van Dineke om een paar wielen voor handnaaimachines te kopen, om de trapnaaimachines in Wanggemalo om te bouwen tot handbediende apparaten. Tot mijn grote verbazing wisten ze die in no time zonder mankeren uit de onoverzichtelijke winkelvoorraad tevoorschijn te halen. Nu ben ik even teruggegaan, omdat ik bij dat eerste bezoek geen fototoestel bij me had. De eigenaar begroet me vriendelijk; ik vertel hem de reden van mijn bezoek. Hij heeft er geen enkele moeite mee, integendeel, hij wil graag zelf ook even poseren. Intussen weet heel de klandizie wat die Belanda hier komt doen.

Donderdag ben ik hier in Jakarta aangekomen. De KLM had op het laatst twee passagiers de toegang tot het toestel moeten weigeren wegens overmatig drankgebruik. Dat was vermoedelijk de reden dat de stoel naast mij leeg bleef. Meer ruimte om te slapen! Heb dan ook een flinke ruk gemaakt, ongeveer van de Zwarte Zee tot boven de Golf van Bengalen.

Vrijdag meteen maar van start gegaan met mijn bezoeken. Dat werd een trip van 8 uur door Jakarta, van het ene adres naar het andere, en het verkeer werkte gelukkig aardig mee. Bij de uitgever BPK hoorde ik dat mijn boek nu bij de drukker ligt, en dat er een kleine kans was dat ik de eerste exemplaren woensdag zou kunnen krijgen. Voor mij reden om mijn vertrek uit te stellen van dinsdag naar donderdag. En nu maar hopen dat het lukt. Voor wie het niet meer weet: het gaat om het handboek over belijdenisgeschriften, waar ik de afgelopen jaren aan gewerkt heb. De tekst was in 2008 al aangeleverd, maar voordat alles gecorrigeerd en nagekeken is en voorzien van de nodige registers, ben je dus wel drie jaar verder!

Bij een andere uitgever, YKBK, heb ik de Indonesische vertaling van de dissertatie van ds. Jan Boersema aangeleverd, en het (Nederlandse) boekje van ds. Rob Visser over Hooglied, waar LITINDO ook mee bezig gaat.

Bij de bibliotheek van de oudste theologische opleiding in Indonesië, voer ik namens OLINDO (het samenwerkingsplatform van GZB, CGK, NGK, GerGem, Oikonomos en Litindo) een verkennend gesprek over biblionics: een project om theologische bronnen voor een bepaalde taal te digitaliseren en via internet beschikbaar te maken. Een uitgezondene van de GZB heeft in Thailand dat programma ontwikkeld en opgezet, en vroeg ons enige tijd geleden of dat misschien ook niet iets is voor Indonesië. Dat kan uiteraard niet zonder overleg en samenwerking met bibliotheken en uitgevers in Indonesië!
Bij de verschillende boekenwinkels koop ik een paar stapeltjes van de meest recente uitgaven van LITINDO; dat waren er in 2011 maar liefst 4 (en straks met die van mij erbij 5). Dat wordt straks naar Papua wel overwicht betalen, maar zonder die boeken mee te nemen kan ik daar ze natuurlijk niet presenteren.

Nu ik de vlucht naar Papua heb uitgesteld, heb ik hier wat meer tijd in Jakarta. Hoef ik de volgende dagen niet zo’n druk agenda af te werken als vrijdag! Moet nog verschillende mensen bezoeken, en daar kan ik dan ook wat meer de tijd voor nemen. Zo was ik gistermiddag en -avond bij Yusup en Warni; hij studeerde in Kampen). Goed om elkaar bij te praten. Goed ook om dat op een zaterdag te doen: het is maar zo’n 35 km, en ik deed het met de taxi over de tolweg in ruim een uur, maar door de week moet je daar al gauw het dubbele voor rekenen!

Vandaag was ik te gast bij Justin en Corrinne Koens. Corrinne is een dochter van rev. Henry Versteeg uit Canada, die destijds ongeveer tegelijk met ons op Papua begon. Corrinne haar gezin is nu al groter dan dat van Henry toen! Ze werken voor de MAF. Eén van de vele missionary kids die hier in de voetsporen van hun ouders treden.

Vanmorgen de dienst bijgewoond van de Jakarta International Christian Fellowship. Ging over vertrouwen. Geen zelfvertrouwen, maar vertrouwen op Christus. Niet wij kunnen het wel aan, maar Christus haalt ons er doorheen. Het is immers ook niet ons geloof, maar het geloof dat Christus ons geeft. En dat biedt hoop!

So I lift my eyes to You, Lord
In Your strength will I break through, Lord
Touch me now, let Your love fell down on me
I know Your love dispels all my fears
Through the storm I will hold on, Lord
And by faith I will walk on, Lord
Then I’ll see, beyond my calvary one day
And I will be complete in You


In dat vertrouwen kunnen we deze week weer rustig aan het werk. A Dieu!
Jaap

Jakarta, 12 oktober 2010

03-01-2011 11:56

"Heeft u even tijd? Ik wil u graag iets vragen." Voor de deur staat Injot, de blinde jongen uit Piju, begeleid door Rivhan, leeftijdgenoot hier uit Sentagi. Binnen begint hij te vertellen. Zijn ogen staren niets-ziend omhoog, maar zijn stem klinkt vast en helder: "Onlangs ben ik begonnen met het houden van bijbelvertellingen voor de leerlingen in het internaat van Seluas. Ik wil de talenten die gekregen heb niet begraven. Mijn wereld mag dan donker zijn, maar daarom kan ik mijn gaven nog wel gebruiken!"

Elke maandag reist hij met de bus van Piju naar Seluas. Daar wordt hij dan opgewacht door één van de leerlingen. Die zitten daar op de SMP (zeg maar: Mavo), acht afkomstig uit de GGRI, en nog een stuk of tien uit andere kerken. Er zit ook een islamitische jongen in  dat internaat, die wil niet meedoen, maar hij loopt er ook niet bij weg als hij dan die avond met ze gaat zingen, en uit de Bijbel gaat vertellen. Uiteraard helemaal uit zijn hoofd, want hij is immers volslagen blind. Nu wil hij graag weten wat ik ervan vind: is dit een goed initiatief? Want hij hecht waarde aan het oordeel van de mensen door wie hij God heeft leren kennen: zoals pendeta Alserda, en de mensen van Litindo."Nee, begrijp me niet verkeerd: ik wil die blanken echt niet verheerlijken, maar zonder hen had ik het Evangelie niet gehoord, en dat is oneindig veel kostbaarder dan geld of goud, want dat gaat over het eeuwige leven! En daarom kom ik ook niet om geld vragen; saya hanya minta dukungan: ik wil alleen maar graag van u horen of ik hier goed aan doe."
We praten een tijdje door over dit prachtige initiatief. Wat een contrast met die jonge predikant, die niet in de pastorie van zijn gemeente wil komen wonen omdat hij te weinig verdient en omdat hij het huis te klein vindt! De kerkeraad van Piju staat er ook achter, en soms gaat er ook iemand met hem mee. Daar leert hij dan ook weer van, vertelt Injot: "Ik ga ze niet alleen maar iets leren, ik steek er zelf ook veel van op!" Als hij vertelt dat ze daar in dat internaat maar één psalmboek hebben, geef ik hem drie nieuwe buku mazmur mee. Rivhan vraagt of ik voor Injot zelf geen bijbel op cassette of CD heb, waar hij naar zou kunnen luisteren. Nee, die heb ik niet, maar daar ga ik beslist naar zoeken als ik in Jakarta ben!
Even later gaan ze weer weg, Injot zorgzaam aan de hand geleid door Rivhan. Bernlef onder de Dayak...

Injot is inderdaad een trouwe bezoeker van onze seminars, en ook deze keer is hij weer present op het seminar voor predikanten en ouderlingen van de GGRI. Ook hier hebben we het weer over de triniteitsleer. Het materiaal is twee maand geleden al onder de predikanten verspreid, maar daar is helaas maar weinig van te merken. De felheid van de discussie vorig jaar in Waingapu is hier in elk geval totaal afwezig; misschien heb ik het nu dan toch beter en meer evenwichtig verwoord? In de discussie gaat het over m.i. wat minder relevante vragen. Pdt Amien vraagt naar de vertaling van de namen van God: in het NT, in het Indonesisch, in de westerse talen; maar ook of nyabata (naam van een god van de Dayak) acceptabel is. Er worden vragen gesteld naar de opvatting van de Yehova-getuigen. Pendeta Klemen, docent aan de theologische opleiding hier in Sentagi, mist in mijn verhaal een weerlegging van de dwaling van de antinomianen (ja ja!). Dat laatste houdt kennelijk verband met zijn eigen onderwerp: hij houdt een verhaal over persembahan; daarin benadert hij het geven in de kerk (collecte, vrijwillige gaven) vooral vanuit de offer-cultus van het OT. Tal van teksten passeren de revue. Hij benadrukt dat de gaven met vreugde gegeven moeten kunnen worden. In de discussie heeft natuurlijk iedereen wat te zeggen, want het geven in de gemeenten laat nog veel te wensen over. Maar uiteindelijk steken ze toch de hand in eigen boezem: als je als predikant, evangelist of ouderling zelf niet het goede voorbeeld geeft, kun je van de gemeenten ook niet veel verwachten!
Het derde onderwerp van deze seminar is de positie van man en vrouw in de kerk. Dat is op de agenda gekomen naar aanleiding van wat ik vorig jaar hier op de synode heb verteld over de discussie daarover bij ons in Nederland. Ik mocht het onderwerp inleiden, en heb dat gedaan aan de hand van het discussiestuk dat onze eigen deputaten in Nederland hebben opgesteld. Er volgt een levendige discussie op; ook hier heeft iedereen wel wat over te zeggen. Helaas vliegen ze wel meteen op de bekende teksten af, zonder zich eerst eens te bezinnen op hoe we die teksten moeten benaderen, en of het verschil in situatie toen en nu misschien ook van belang is. De Bijbel spreekt toch duidelijke taal, die een lerende en regerende functie van de vrouw in de kerk uitsluit. Debora wordt erbij gehaald (OT), en Hanna (NT), maar nee, dat zijn uitzonderingen. Het is volgens hen uitgesloten dat een vrouw de zegen op zou leggen; Israel had toch ook geen priesteressen? En onder de apostelen zoek je ook tevergeefs een vrouw! Iemand is zo scherp om op te merken dat hierin misschien de patriarchale cultuur van destijds een rol speelt; maar daar wordt verder door niemand op ingegaan. Ook niet op de vraag waarom we het dit voorschrift van Paulus vandaag nog wel zouden moeten volgen, terwijl we een regel als dat vrouwen met bedekt hoofd moeten bidden zonder problemen als gedateerd beschouwen. Ik probeer nog eens om een andere benadering van de teksten bespreekbaar te maken, maar pdt Lasen en pdt Dain verwoorden de vrijwel unanieme mening op zó nadrukkelijk manier, dat ik me haast zelf veroordeeld voel, terwijl ik me toch nadrukkelijk onthouden heb van het geven van een eigen mening. Maar kennelijk is de vroeger algemeen aanvaarde mening er hier zo goed ingeprent, dat elke opening andere opvatting bij voorbaat verdacht is. Daarnaast zal ook een rol spelen dat praten over hermeneutiek natuurlijk veel abstracter is, dan praten over concrete teksten; en abstraheren is in voor de mensen hier altijd al erg lastig.

De week op Kalimantan is zomaar voorbij. Ik geef nog een paar dagen les aan de studenten van de theologische opleiding. Het zijn allemaal eerstejaars, en dat kun je merken: ze hebben nog niet zoveel ondergrond, en je kunt veel minder bekend veronderstellen dan wanneer je publiek hebt dat al een paar jaar theologie achter de kiezen heeft. Ook zijn ze niet allemaal even gemotiveerd, heb ik de indruk, maar ook dat is niet ongebruikelijk in het eerste jaar: dan moet nog blijken wie hier echt op zijn plek zit, en wie er gaan afhaken.
Ook woon ik nog een zgn Bijbellezing bij, die elke week op een avond ergens bij iemand thuis wordt gehouden, en waar altijd opvallend veel jeugd aanwezig is. Hier in Sentagi staan ook het internaat van de middelbare school, dus zo heel vreemd is dat niet.

Inmiddels ben ik terug in Jakarta. Zondagmiddag een ontmoeting met Yusup en Warni.
Yusup heeft voor zichzelf de conclusie getrokken, en afscheid genomen van SETIA. Ook de meeste sponsors hebben volgens hem hun steun inmiddels stopgezet. Yusup werkt nu samen met anderen die SETIA hebben verlaten aan het opzetten van een nieuwe stichting; dat moet niet de zoveelste theologische opleiding worden, maar een soort instituut dat diensten aanbiedt aan de kerken in Indonesia. Hij acht de kans groot dat (Indonesische) sponsors die tot voor kort SETIA hielpen, straks hun geld aan dit nieuwe project zullen gaan geven.
Overigens is het niet gezegd dat Yusup bij die stichting zal blijven werken; hij heeft ook een aantrekkelijk aanbod gekregen van Kartidaya, de stichting die het werk van Wycliffe Bibletranslators in Indonesia behartigt. Momenteel ontvangt hij steun vanuit de Jakarta International Christian Fellowship (waar hij en wij ook geregeld kerken). Helaas kan hij er voor de doop van hun jongste kindje niet terecht, want ze kennen daar geen kinderdoop...

Deze laatste dagen van mijn reis doorkruis ik weer zoals gebruikelijk de stad Jakarta. Ik heb de afgelopen maanden her en der nieuwe contacten gelegd, en oude verstevigd. Nu sjouw ik de boekwinkels af om al de toegezegde boeken te kopen en te laten versturen naar de verschillende regio's: een set boeken naar Taklemarto, de nieuwe Litindo-agent in Mamasa; ook een set naar Kabanga in Rantepao, voor de bibliotheek van de STAKN (de grote staatsopleiding theologie in die plaats), boeken voor SungKyo op Papua, en nog meer.
Ook speur ik de winkels af naar een audio-uitgave van de Indonesische Bijbel, om aan Injot op Kalimantan te sturen. 'Toevallig' ontmoet ik bij één van de uitgevers een dame, Eva Kristiaman, die ook contacten heeft in de kringen van Wycliffe en Gospel Recordings. Ze is een Indonesische, maar opgegroeid in Australia en met ook Nederlands bloed in de aderen. Ik vertel haar van mijn zoektocht, en ze weet mij allerlei waardevolle informatie te geven. En de volgende morgen komt er al een email van haar, met gegevens die ze voor mij in Australia heeft ingewonnen! Inmiddels heb ik dan op een door haar genoemde website al het één en ander gedownload en op een CD gebrand. Een ingesproken letterlijke tekst van de Indonesische Bijbelvertaling blijkt er niet te zijn, maar wel een serie geparafraseerde Bijbelverhalen. Daar zal Injot misschien ook wel wat aan hebben. Zo dadelijk nog even op de post doen.

Ja, en dan wordt het tijd om de koffers te pakken! Om een uur of 11 zit ik nog even buiten te genieten van de zwoele avond in een wat melancholieke stemming. Na 76 dagen zit het er bijna op. Ben je daar nooit eenzaam?, vroeg iemand me vanuit Nederland. Ja, natuurlijk heb je best wel eens van die momenten, maar eenzaam, dat voel je je gek genoeg vooral als je net weer terug bent in Wezep. Die eerste week, of weken. Dat komt denk ik omdat je je ervaringen maar met zo weinig mensen echt kunt delen. Het is  ook haast niet over te brengen. En veel mensen vinden het wel leuk om je verhalen te horen, maar gaan vervolgens natuurlijk weer gewoon verder. Maar jij zelf zit nog wel boordevol van de reis, helemaal in beslag genomen door alles wat je beleefd hebt. En dat moet je grotendeels alleen verwerken. Wat je op al die plaatsen tegen bent gekomen; de mensen die je hebt ontmoet, oude en nieuwe vrienden, zo hartverwarmend vaak; de problemen waar je tegenaan gelopen bent; hoe weinig je eigenlijk maar hebt kunnen doen. Hier werk je voor, hier leef je voor! En het is elke keer weer lastig om dat los te laten, ook al zie je er nog zo naar uit om Dineke en de kinderen en kleinkinderen weer te zien!
Afgelopen zondag genoten we van een puur gereformeerde preek bij JICF. Het ging over het wonder van Gods genade. Terugkijkend op mijn reis, wil ik deze serie brieven besluiten met een paar regels uit een lied dat we zongen aan het eind van die dienst:

     Every soul we long to reach
     Every heart we hope to teach
     Everywhere we share His peace
     Is only by His grace!

     Every loving word we say
     Every tear we wipe away
     Every sorrow turned to praise
     Is only by His grace!

Talan, Kalimantan-Barst

06-10-2010 14:29

Ook hier hebben we een boze geest uitgedreven! Ziet u dat meisje daar lopen? Zij werd op een gegeven moment bezeten. Ze gingen er mee naar de dokter, die heeft haar helemaal onderzocht, maar kon niets vinden, en stuurde haar weer naar huis. Toen hebben we haar in de kerk gebracht. Daar werd ze meteen onrustig en bang. We hebben toen voor haar gebeden, en de volgende dag opnieuw bij haar thuis. Bij de derde keer dat we bij haar gingen bidden verliet die boze geest haar. Ze bleef toen eerst een kwartier bewusteloos liggen, daarna kwam ze bij, en toen was ze weer helemaal normaal!

We zijn in Tadan, een zendingspost van de GGRI op Kalimantan. Vanmorgen heb ik hier gepreekt over de geschiedenis van de zeven zonen van Skevas (Hand. 19), en als we daarna door het dorp wandelen vertelt Andreas Bantan dit verhaal, bescheiden, eenvoudig, en zonder enige opsmuk. Ik moet denken aan wat er staat in Markus 16, "De Heer zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen".
We zijn hier bij een frontlijn, waar de boze geesten hun best doen zich te handhaven. Midden in het dorp staat een oud adathuis. Daarin worden de gesnelde koppen bewaard. Van vroeger, want tegenwoordig gebeurt dat natuurlijk niet meer. Alhoewel, bij die zo zorgvuldig in stand gehouden verzameling zitten er ook van Madurezen, een kopje kleiner gemaakt toen de Dayak hen hier eind jaren 90 verdreven. Het oude leven zit nog dicht onder de oppervlakte.
Ook daarover vertelt Andreas. Er is hier nog zoveel onbegrip. Haast iedereen, de kandidaat-ouderlingen inbegrepen, houdt hier nog vast aan de oude adat. En bij de jaarlijkse ceremoniele plechtigheid bij dat adathuis van deze vroegere koppensnellers, nemen ook de gemeenteleden een actief aandeel. Wilt u daar in uw preek niet iets over zeggen? Daarom die preek over die zonen van Skevas, die de naam van Jezus proberen in te passen in hun eigen magische praktijken. Met desastreuze gevolgen! En dan zit de schrik er in één keer goed in bij die jonge gemeente, en begrijpen ze opeens dat er een radicale keuze van hen wordt gevraagd! Laten we bidden dat dat besef hier ook gaat doorbreken.

Tadan ligt dicht bij de grens met Serawak, het Maleisische deel van dit eiland. Vanaf Piju -  ongeveer twee uur met de bus vanaf Sentagi, en dan nog een kwartiertje op de brommer - ben ik komen lopen. De weg gaat over behoorlijk stevige heuvels, en met de zon brandend bijna recht boven je hoofd wil het zweet er dan wel uitkomen! Op Papua loop je eigenlijk steeds onder het dichte bladerdak van het bos, maar hier is alles open en zoek je vergeefs nog een stukje van de oude hutan: daarvoor moet je nog een heel eind verder, de bergen in. We komen wel door een paar stukken bos, maar dat is nieuw bos, hoogstens 15-20 jaar oud, opgeschoten op vroegere ladangs, de akkertjes op de heuvels waar ze hier hun rijst verbouwen. Sawa's zie je hier vrijwel niet.
Onderweg krijgen we nog een stevige onweersbui over ons heen; maakt me niet veel uit, ik ben toch al doorweekt van het transpireren. Dicht bij Tadan ligt er op het boomstammen-pad door één van de moerassen waar we doorheen komen, een groen-gele slang te zonnen. Libertus, de student die op deze tocht mijn gids is, reageert snel, pakt mijn stok, en slaat het reptiel net zo lang op de kop tot hij niet meer beweegt. Het is volgens hem een giftige slang. Meenemen om op te eten?, suggereer ik. Maar kennelijk heeft hij daar geen zin in: als hij er zeker van is dat het beest echt dood is, gooit hij hem weg, een eind van het pad af.
De dorpen liggen hier een stuk dichter bij elkaar dan op Papua. Ik loop totaal nog geen 4 uur, maar kom onderweg langs Piju-lama en Kerumbi. In beide dorpen staat een kerkje; die in Piju-lama heb ik bij een vorig bezoek zelf mogen openen. Al die kerkgebouwtjes lijken trouwens wel volgens dezelfde tekening gebouwd te zijn.
In Kerumbi zit ik een hele tijd te praten met Keruhi, één van de vroegere ouderlingen, die bij de start van het zendingswerk hier betrokken is geweest. Hij probeert me over te halen hier te blijven overnachten: Tadan is echt niet ver, dat kun je morgenvroeg nog makkelijk doen voor de dienst daar begint. Ja, dat zal wel, maar ik heb nu eenmaal een afspraak met Andreas Bantan!

Zondagmiddag vertrekken we weer uit Tadan. Deze keer gaan we met een motor air (planken prauw met buitenboordmotor) over de rivier naar het stadje Seluas. Een stel jongelui gaat mee: die zitten in Seluas op de SMA (middelbare onderwijs), en moeten morgen weer naar school. Halverwege leggen we aan bij de tuin van één van hun ouders; even later komen ze terug met een paar manden vol groenten, eten voor de komende week. En verder gaat het weer, bocht na bocht. Zo langs de rivier lijkt het hier nog het meeste op Papua. Tot we na de laatste bocht de ijzeren brug van Seluas zien liggen.
Als ik de volgende dag met een paar predikanten hier napraat over deze tocht, zegt pendeta Amien dat ik de volgende keer maar eens naar Suti Semarang moet gaan, een zendingspost hier verderop, nog een heel eind voorbij Sebalo waar ik vroeger al eens geweest ben. Goed, dat houden we dan in gedachten voor een volgende keer. Misschien dat daar nog wat maagdelijk oerwoud te vinden is.
Maar het is duidelijk dat de Dayak hier niet meer de bosmensen zijn die hun voorouders vroeger waren. Ze verplaatsen zich in auto's en bussen en op brommers, en hebben in de meeste gevallen nog nooit een stukje echt oerwoud gezien! Ze staan inmiddels midden in de wereld. Zelfs het verschil met 10 of 15 jaar geleden, toen ik hier voor het eerst kwam, is voor mij al erg groot. Daarom wordt het ook tijd om ons eens te gaan bezinnen op de kleding van de predikant, vindt pendeta Lasen. In de andere kerkgenootschappen is het ondenkbaar dat predikanten in overhemd of batikshirt de preekstoel opgaan, en dragen ze allemaal minstens een jasje en een stropdas. Moeten we ons dan niet aanpassen bij wat in het algemeen behoorlijk wordt geacht? In elk geval hier in de gemeenten rond de stad Bengkayang!
Tja, ik denk wel dat hij een punt heeft. In Wanggemalo kleed ik me ook anders als ik moet preken, dan hier op Kalimantan. Natuurlijk is het waar, zoals de oude ds. D. van Dijk het vroeger eens formuleerde: we hebben geen leer-, maar wel kleer-vrijheid. Maar dat wil nog niet zeggen dat je dus wel in je alledaagse kloffie de preekstoel op kan!  

De Dayak van vandaag staan midden in de wereld. Dat wordt me nog eens goed duidelijk op de terugweg van Seluas naar Sentagi. De bus vertrekt keurig op schema, zo rond 3 uur. Maar dan rijden we eerst nog naar een opslagplaatsje, ergens aan een zijweg van dit grensstadje. Vervolgens halen ze tot mijn verbazing alle leuningen en zittingen van de banken uit de bus. De bedoeling wordt al snel duidelijk: in rap tempo wordt de ene na de andere 50-kilo zak suiker vakkundig onder de banken weg gestouwd. Maleisische suiker wel te verstaan, clandestien over de grens gehaald, en nu net zo clandestien vervoerd naar de grote stad Singkawang om daar met een stevige winst verkocht te worden. Suiker in Maleisie is wel minder van kwaliteit dan de Indonesische suiker, maar stukken goedkoper.
Als er zo 6o zakken provisorisch verstopt zijn, en aan het oog onttrokken door een paar zeilen, gaan de zittingen er weer in. Zo van buiten af is er niets meer van te zien, en lijkt het alsof deze bus gewoon passagiers vervoert. Want die kunnen er ondanks die 3000 kilo vracht natuurlijk nog best bij, in de bus, en niet te vergeten bovenop de bus. Een lucratief handeltje, waar behalve deze smokkelaars van Kalimantan ook heel wat anderen mee van profiteren. Halverwege stoppen we bij een controlepost van de politie, en wordt er snel even iets betaald. Dicht bij Bengkayang komt een motoragent ons achterop om ook zijn beloning in ontvangst te nemen om een oogje dicht te doen. Ja, de Dayak hebben de overgang van hun eigen jungle naar die van de hedendaagse Indonesische samenleving inderdaad uitstekend gemaakt!
Zo rijd ik met onder mijn voeten een paar zakken smokkelwaar terug van een zondag uit preken. Ik zit voorin. De chauffeur naast me blijkt ook een christen te zijn, lid van de GPIB (de Protestantse Kerk van West Indonesie). Hij informeert belangstellend wat ik hier op Kalimantan doe. Lesgeven, een seminar? En boeken schrijven? Prachtig! Ja hij kent bapak Jonkman wel. Maar kennelijk heeft hij geen problemen met zijn vrachtje.
Het is al helemaal donker als we bij Bengkayang komen. Ook niet toevallig natuurlijk, met deze lading: dan wil je niet te veel opvallen. Door het duister lopen Libertus en ik de laatste kilometer van de nieuwe brede weg naar Sentagi. Het lijkt wel symbolisch... Overal is de frontlijn. En de moderne boze geest is misschien nog wel moeilijker uit te drijven dan de oude!


Rantepao, 26 september 2010

27-09-2010 00:50

Vol interesse bekijkt Dr. Kabanga de boeken die ik bij me heb. Hij had er meteen naar gevraagd, toen we elkaar gisteren ontmoetten: "Zijn er nog nieuwe boeken van LITINDO?" Het is een hele tijd geleden dat ik hier ben geweest, dus er zitten verschillende titels tussen die hij nog niet heeft. Die legt hij apart, en dat wordt een aardig stapeltje. "Moet ik daar iets voor betalen?" Nee, natuurlijk niet! Veel te mooi dat deze docent zoveel belangstelling heeft voor onze boeken. Als ik vertel dat we nog op zoek zijn naar iemand die Litindo hier in Rantepao wil vertegenwoordigen, biedt hij zichzelf meteen aan: hij wil deze boeken graag introduceren bij de studenten op de 3 theologische opleidingen waar hij les geeft!

 

Het contact met dr. Kabanga verloopt erg plezierig, net als trouwens bij eerdere bezoeken. Hij is er nog één van het oude stempel. Als hij hoort waarover ik in Mamasa les heb gegeven, wordt hij zelfs enthousiast: hij is zelf onlangs gepromoveerd op een onderwerp dat dicht aanligt tegen mijn verhaal, nl over God de Vader en God de Zoon in de Indonesische context. Hij bladert mijn stuk meteen door, en vraagt of hij het mag hebben, om er tzt aan te kunnen refereren in de Indonesische uitgave van zijn dissertatie. Gelukkig heb ik het document op een usb-stick bij me. Ik vraag hem mij te laten weten wat hij er van vindt.

 

Over de term Zoon van God heb ik trouwens hier ook weer lesgegeven. Dat stond niet op mijn agenda, maar ik werd er door Kabanga spontaan toe uitgenodigd. Vroeger had de kerk hier een eigen Theologische Hogeschool, maar in 2005 hebben ze die overgedragen aan de overheid, en werd het een Staatsopleiding voor Protestantse theologie (STAKN). Nu wil de Toraja-kerk toch weer een eigen opleiding hebben. De concrete aanleiding is dat een aantal studenten problemen had op die STAKN, verder gingen studeren aan de INTIM in Makassar, en zich daar ook niet thuis voelden. Die studenten krijgen nu gelegenheid om hier hun studie af te ronden. Maar daarnaast is de wens om de eigen identiteit van de kerken hier te bewaren eveneens een belangrijke factor. Het is de bedoeling dat het uiteindelijk een theologische faculteit wordt van de Christelijke Universiteit (UKI Rantepao) die hier nu inmiddels draait op de oude campus. Maar voorlopig is het nog een onofficieel gebeuren, onder verantwoordelijkheid van de leiding van de Gereja Toraja. En het is ook nog erg kleinschalig: ik heb die morgen welgeteld vijf 4e jaars studenten voor me; er zijn ook nog een stuk of 15 1e en 2e jaars, maar die waren er die dag niet. Ondanks het kleine aantal heb ik ze met plezier een paar uur les gegeven.

 

De reis hierheen had nogal wat voeten in aarde. Ik heb in de vorige brief al iets vertelt over de weg naar Mamasa. Veel is intussen opgeruimd, maar er zijn ook weer nieuwe aard-verschuivingen en steenlawine's die de weg tot halve breedte (of minder) terugbrengen. En de modder in de buurt van Mamasa is door al de regen en door het vrachtverkeer alleen maar erger en dieper geworden. De weg naar Rantepao was verder geen probleem.

 

Deze week ontmoet ik ook een aantal blanke collega's. In Mamasa is dat ds. Kees Buijs van de CGK. Hij heeft vroeger in Mamasa gewoond, later was hij zendeling in Zuid Afrika, en nu werkt hij afwisselend telkens 2 maanden Indonesië en 2 maanden Zuid-Afrika – en bezoekt tussendoor zijn kinderen in Nederland. Kees heeft een eigen kamer in het gastenhuis (was vroeger hun huis!), en we praten heel wat af. Deze keer brengt hij een ongepland bezoek in verband met opnamen die volgende week door Zendtijd voor de Kerken in Mamasa zullen worden gemaakt in het kader van een televisie-kerkdienst in november; bij die uitzending zal als project van de Wilde Ganzen de renovatie van het ziekenhuis in Mamasa worden gepresenteerd. Deze dagen is hij druk om daarvoor een goed plan met begroting klaar te maken. Hij laat me het ziekenhuis zien, en inderdaad: daar mag wel iets aan gebeuren! Maar dan is er ook instructie nodig van de mensen die daar werken: in de onderzoekkamer zitten de oude bloedvlekken aan de muren…

 

Hier in Rantepao heb ik veel contact met ds. Gert de Goeijen en zijn gezin. De GZB heeft hen uitgezonden om hier op het Theologisch Instituut van de Toraja-kerk een bijdrage te leveren aan de praktische vorming van (a.s.) predikanten. Ze zijn hier nog niet zo erg lang, pas vanaf maart. Daarvóór deden ze taalstudie in Yokyakarta; vorig jaar heb ik hen daar opgezocht. Voor hij werd uitgezonden was Gert verbonden aan de PKN in Zwolle (Stinskerk). We zitten deze dagen heel wat af te bomen over theologie, zending, kerkelijke ontwikkelingen, cultuur, en natuurlijk over zijn werk hier. Vrijdagmorgen ben ik aanwezig bij een bespreking met een Australische collega die hier ook aan dat instituut verbonden is, Andrew Buchanan. Deze theoloog van Anglicaanse achtergrond werkt hier al vanaf 2002, en heb ik hier al een paar keer eerder ontmoet. Deze morgen zijn ze zich aan het voorbereiden op een cursus hermeneutiek die ze binnenkort moeten gaan geven. In dat kader komen we ook te spreken over het feit dat er hier in de prediking zo snel aan elke tekst een moralistische toepassing wordt vastgeknoopt: wat je wel en wat je niet moet doen. Andrew denkt dat het te maken heeft met het pragmatisme in de Indonesische samenleving; ik zelf zou het eerder wettische prediking willen noemen. Hoe dan ook: het aspect van wat God doet, en hoe dat van belang is voor jou als hoorder, krijgt in de prediking nauwelijks aandacht. En dat geldt in het algemeen voor vrijwel alle kerken in Indonesië. Terwijl het toch juist allereerst dáárover zou moeten gaan! Dat aspect is bovendien erg relevant in de Indonesische situatie: voor de mensen hier zijn relaties enorm belangrijk. De functie van die relaties zou je kunnen vergelijken met wat bij ons de verzekeringen zijn: jij laat je relaties meegenieten van je overvloed, en als jij op een gegeven moment hulp nodig hebt of oud bent kun je op hen terugvallen. Mensen zijn dus in hoge mate afhankelijk van hun relaties, en ze doen dan ook alles om die relaties goed te houden. Dat weegt als het er op aankomt zelfs zwaarder dan de waarheid, of dan (financiële) eerlijkheid. Tegen die achtergrond is het zaak duidelijk te maken dat God in Christus een relatie met ons wil aangaan, en dat die relatie belangrijker is dan alle andere relaties. Op Hem kun je altijd terugvallen, en bij Hem is je leven pas ècht veilig! Maar ook het wederkerige karakter van de relatie: Hij heeft zóveel gegeven: zijn eigen Zoon! Wat geven wij nu aan Hem?

 

Vanmiddag maak ik met Gert en hun kinderen een tocht in de omgeving. Fantastische uitzichten over de sawa's en de bergen daarachter! Geen wonder dat hier veel toeristen komen. Maar je ziet ook overal de tekenen dat de oude cultuur hier nog springlevend is. Dodenfeesten, en de beelden van overleden voorouders bij de graven, regelmatig voorzien van de nodige geschenken: eten, kleren,  sigaretten. De confrontatie van het Evangelie met de oude heidense gebruiken heeft nog niet veel veranderingen teweeg gebracht. Toch wordt DV in 2013 hier het eeuwfeest van de zending gevierd. Op de terugweg komen we langs het oude huis van de eerste zendeling, Van Loosdrecht. Hij is daar ook vermoord. Per vergissing, omdat de moordenaar het in feite op iemand anders had gemunt? Of omdat hij wel erg strak was ten opzichte van de oude adat? Daarover zijn de meningen verdeeld. De moordenaar is later wel tot geloof gekomen. Maar de oude adat is nog altijd sterk. Dat wil de overheid ook graag zo houden, want dat trekt toeristen, en brengt dus geld in het laatje. Maar hoe staat de kerk eigenlijk tegenover die voorouderverering? Is contextuele theologie het antwoord, en moeten we hier de kant op van Bediako, de Afrikaanse theoloog die in een zelfde soort cultuur Christus als onze grote Voorouder verkondigt? Of is dat grijpen naar de contextualiteit een uitvlucht om de eigen oude identiteit en cultuur te handhaven, zoals prof. Van de Beek stelt? Dan blijft er van een kritische confrontatie van het Evangelie met de heidense gewoonten en gebruiken zoals hier in de Toraja weinig over…

Dat is trouwens iets om over door te denken, ook in onze eigen westerse maatschappij. Hoever staan wij zelf open voor het scherpe Woord, als dat wil snijden in onze eigen levensstijl? Weten wij nog wat het christelijke leven concreet inhoudt, en willen we dat eigenlijk nog wel horen? Of is er ook bij ons nog maar al te vaak sprake van zelfhandhaving…

Schep, o God, een zuiver hart in mij,

vernieuw mijn geest, maak mij standvastig… (Psalm 51:10)

 

A Dieu!

Jaap

 

Mamasa, 19 september 2010

20-09-2010 12:45

"Welke bundel vindt u beter: de Nyanyian Rohani van Kijne, of de Kidung Jemaat die tegenwoordig zo populair is?" Ik hoef niet lang over het antwoord na te denken; je zou het kunnen vergelijken met de oude gezangen zoals van Johannes de Heer en van het gereformeerde kerkboek, en de vloed van evangelische liederen die we ook in Nederland kennen. Geef mij die oude bundel van Kijne maar, daar zit veel meer inhoud in dan in het gros van die andere verzen. "Dat vind ik nou ook!", is de reactie van de vragensteller. Even later vraagt hij of ik hem niet kan helpen aan de oude Bijbelvertaling van Klinkert: die is veel beter voor Bijbelstudie dan de tegenwoordig gangbare vertaling, laat staan nieuwere vertalingen. Al weer dringt zich de vergelijking met Nederland aan me op.

 

De vragen komen van een man die de laatste 30 jaar in de Torajakerk van Rantepao heeft gewoond en gewerkt: bapak Sulle. Hij was daar godsdienstonderwijzer in de stad Makale. Vorig jaar is hij met pensioen gegaan, en nu woont hij weer hier in Mamasa. Uiteraard vergelijkt hij het kerkelijk leven daar in de Gereja Toraja (GT) met hoe het er hier in de Gereja Toraja Mamasa (GTM) voorstaat. Opvallend is dat hij veel positiever oordeelt over de GT dan over de GTM. Zelf zou ik geneigd zijn het andersom in te schatten: de theologen in Rantepao zijn toch een stuk liberaler dan hier! Maar de man is erg stellig, al generaliseert hij wel wat makkelijk, en heeft hij het ook niet over theologie: wat krijgen de ouderlingen hier nu nog voor begeleiding? Ze knijpen hem al als ze moeten voorgaan in gebed voor het eten, laat staan als ze dat moeten doen bij één of andere bijeenkomst. En kijk eens naar de kerkelijke bijdragen: hier geven ze het kleine beetje dat ze nog over hebben na elke dag van de week zeker twee pakjes te hebben opgerookt, maar in de GT hebben ze de mensen bewust gemaakt wat dankbaarheid is, en hoe dat ook uitkomt in de manier waarop je iets geeft. En wat te denken van de Theologische opleiding: daar in Rantepao werken ze er aan dat ze allemaal bevoegde docenten hebben, maar hier hebben ze daar nog helemaal geen beleid voor gemaakt, terwijl er maar twee docenten aan de criteria voldoen! En wat wordt er hier nu nog gedaan aan begeleiding van de ambtsdragers in de gemeenten in al die afgelegen bergdorpen. En er wordt veel te weinig gelezen!

En daarom komt hij bij met mij praten. Ik zit immers in de boeken? Nee, het gaat hem niet allereerst om gesubsidieerde, of zelfs gratis boeken. Maar: hoe krijgen we de mensen aan het lezen?! Hij vertelt van een cursus die hij eens met Kees Buijs heeft gegeven aan afgevaardigden van gemeenten, een week lang hier in Mamasa, waarbij allerlei boeken werden gepresenteerd: van elk boek werd verteld waar het over ging, en wat het belang ervan was voor de praktijk van hun werk. Na afloop konden ze die boeken kopen, en de hele voorraad was in mum van tijd uitverkocht!

Wij van LITINDO willen ook graag dat soort cursussen geven om onze boeken aan de man te brengen. Want inderdaad: hoe komen de boeken anders ooit bij deze mensen terecht, die honderden kilometers van de dichtstbijzijnde echte boekenwinkel wonen? Natuurlijk is er hier in Mamasa een winkeltje van de kerk waar ook boeken worden verkocht, maar ik heb niet de indruk dat daar veel boeken over de toonbank gaan. Misschien iets voor Henk Venema, als het door gaat dat die hier volgend jaar komt lesgeven? Bapak Sulle wil graag helpen.

Ik vertel hem dat we ook op zoek zijn naar iemand die hier 'vertegenwoordiger' van Litindo wil worden. Ik heb het via die winkel hier geprobeerd, maar dat werkt niet. Je moet iemand hebben die de boeken zelf ook leest, en er actief mee aan de slag gaat om de mensen er mee in aanraking te brengen. Precies!, beaamt bapak Sulle. Maar waar vind ik zo iemand! Maar eens met Kees Buijs over praten als die hier morgen komt. Misschien dat Taklemarto, de student die mij hier vorig jaar hielp in de boekenstand van Litindo, er voor in aanmerking zou kunnen komen.

 

De tocht van Makassar naar Mamasa (340 km) was nogal spannend. Het begin ging ongewoon vlot: ik maak de reis op Idul Fitri, de grote islamitische feestdag, en daarom is er totaal geen vrachtverkeer op de weg, geen bussen, en alle winkeltjes en pasars zijn dicht. We kunnen dus heerlijk doorrijden. Maar de weg vanaf de kust bij Polewali de bergen in naar Mamasa, en traject van zo'n 75 km., is een heel ander verhaal. Deze weg is altijd al een ramp, zoveel gaten en kuilen er in zitten, maar nu is het allemaal nog een paar graadjes erger door de vele regen van de afgelopen weken. Om de haverklap komen we bij een plek waar een deel van de berg naar beneden is gekomen, zodat je er maar net langs kunt rijden. Dan weer lijkt het dat er aan de kant van het ravijn een grote hap uit het asfalt is genomen: dat deel van de weg is afgebroken en in de diepte verdwenen. En hoe dichter we bij Mamasa komen, hoe erger het wordt. De laatste 15 km is er geen spoor van asfalt meer te bekennen, en lijkt de hele weg wel alleen uit modder te bestaan. Intussen is het ook gaan regenen. Op een gegeven moment kunnen we bijna niet verder: de enige doorgang is een smal en diep glibberig spoor tussen een berg modder die de weg rechts verspert, en de diepte links pal naast de weg met ver daaronder de rivier. We slippen er gelukkig zonder ongelukken langs. Latere horen we dat de weg hier die dag afgesloten is geweest, en nog maar net weer open was. Je slaakt wel een zucht van opluchting als je dan na 2½ uur eindelijk over de betonnen wegen van Mamasa de laatste paar honderd meter naar het gastenhuis rijdt!

De chauffeur van de auto die ik in Makassar had gehuurd om me naar Mamasa te brengen is een jonge Bugis, een islamiet. Hij gaat meteen weer terug, want hij wil niet het risico lopen die weg bij donker te moeten rijden. Voor hij vertrekt vraagt hij me om voor hem te bidden; hij heeft hem ook erg geknepen, en verzekert me dat dit echt de laatste keer is dat hij iemand naar Mamasa heeft gebracht! Ik kan het hem niet kwalijk nemen. Ik geef hem het nummer van mijn mobieltje, en 's avonds om een uur of 9 belt hij me op dat hij veilig de kust heeft bereikt.

 

Ondertussen regent het nog elke dag onverminderd door. 's Morgens schijnt de zon, maar zo rond de middag trekt het dicht. Belooft nog wat voor de terugweg. Lopen naar Rantepao, zoals ik van plan was, zit er deze keer dan ook niet in. Jammer, want ik had me best wel verheugd op die tocht door dit schitterende bergland. Maar in de regen gaat de lol er wel gauw af, nog afgezien van de onbegaanbaarheid van de bergpaden. En je kunt zo maar om een bocht tot de ontdekking komen dat de weg verdwenen is… Dus als ik nog naar Rantepao wil, zal ik toch eerst weer de reis terug naar de kust moeten maken, want een rechtstreekse autoverbinding is er niet: eerst naar Polewali, en dan via een andere weg opnieuw de bergen in. Eén troost: dat is dan een doorgaande weg, veel breder en goed onderhouden. Dat kan van de weg naar Mamasa duidelijk niet worden gezegd.

Deze week heb ik hier een drietal dagen kuliah umum gegeven: algemene hoorcolleges voor alle studenten, inclusief de mensen die al een baan hebben en één week per maand de intensieve cursus volgen. Had er zo'n 100 in de zaal zitten. Ik sluit af met een klein tentamen, want ze moeten wel een beoordeling hebben. Dat levert dus nog het nodige correctiewerk op; hoort er nu eenmaal bij, maar het is ook voor jezelf nuttig: je krijgt een beeld van wat wel en wat niet is overgekomen. Het is dezelfde stof die ik vorig jaar ook op Sumba en in Kupang heb behandeld, alleen nu bijgewerkt op grond van de ervaringen toen. Op Kalimantan, begin volgende maand, is het ook nog weer een deel van het programma.

Vanmorgen heb ik Taklemarto weer ontmoet. Hij was één van de 112 afgestudeerden van de STT (Theologische Hogeschool) hier in Mamasa die hun bul kregen uitgereikt. Een plechtigheid die ruim 3½  uur duurde. Wel leuk om eens mee te maken. Ze hadden me gevraagd of ik als gastdocent ook niet in de stoet docenten mee wilde lopen; maar bij gebrek aan een toga in mijn maat heb ik daar maar van afgezien, en ben gewoon bij de genodigden gaan zitten. Het is de tweede keer in het 6-jarig bestaan van de school dat er een wisuda (diploma-uitreiking) wordt gehouden. Alles bij elkaar heeft deze STT nu 374 afgestudeerden afgeleverd; veruit de meesten daarvan volgden de PAK, een opleiding voor godsdienstleraar.

Het begint uiteraard met een kerkdienst. Dat gaat over het zout en het licht van Mat. 5:13-16. We moeten als christenen zulk 'zout' zijn dat de wereld daar beter van wordt. Ben ik het op zich wel mee eens, maar ze gaat wel wat ver als ze vervolgens stelt dat de kerk (!) haar stem moet laten horen bij alle mogelijke misstanden in de maatschappij: Gereja tidak boleh berdiam dalam seribu bahasa! – de kerk mag niet in alle talen zwijgen! Ik heb net het jongste boekje van prof. Van de Beek gelezen (Is God terug?), en die denkt daar (m.i. terecht) duidelijk anders over. Jammer ook dat ze zo'n verschrikkelijke preektoon heeft; hier in Indonesië vinden ze dat prachtig, maar in Nederland zou het zelfs als karikatuur overdreven zijn.

Daarna komen uiteraard de nodige toespraken. De voorzitter van de 'synode' (BPS) benadrukt hoe groot het goed is dat je als kerk een eigen STT hebt. Sommige scholen hebben in het verleden hun best gedaan om STAKN te worden: staatsschool voor theologie (bv in Rantepao). Maar theologie is niet iets voor de staat, maar voor de kerk, want het heeft altijd met doktrin te maken.

 

Eén van de andere gasten blijkt speciaal voor Taklemarto naar Mamasa te zijn gekomen. Het is Philip Campbell, die hier in de Toraja voor Wycliffe Bijbelvertaalwerk doet. Taklemarto is altijd zijn voornaamste helper geweest. Na afloop maken we kennis met elkaar. Hij heeft hier vanaf 1984 een jaar of 6 gewoond, is nu weer terug in de States, maar komt voor zijn werk elk jaar een paar keer naar Mamasa. Verschillende van 'onze' Wycliffers op Papua blijkt hij wel te kennen: Peter Jan de Vries, Dick Kroneman, SungKyu – de wereld is maar klein. Hij vraagt naar het Bijbelvertaalwerk in de Kombai. Ook is hij erg geïnteresseerd in het werk van LITINDO, en hij onderstreept dat er zoveel behoefte is aan goede theologische boeken. Hij had nog nooit van ons bestaan gehoord. Zou het geen idee zijn om een website te hebben waarop te vinden is wat er overal gedaan wordt, en waar iedereen mee bezig is? We weten zo weinig van elkaar, en er gebeurt zo gauw iets dubbel! Laatst ook nog weer in hun eigen organisatie, ging iemand ergens mee aan de gang waar naar later bleek iemand anders op een andere plek al lang mee bezig was.

 

Het is voor mij een hele omschakeling. Hiervóór was ik een maand op Papua. De eerste dagen heb ik daar best wel heimwee naar gehad. Het is niet alleen dat we het daar in Wanggemalo zo ontzettend goed hadden samen (Dineke was er ook), maar vooral dat je je daar zo dicht bij de Here voelt: alsof alle storende bijgeluiden wegvallen: er is niets dat je aandacht afleidt, en zoveel dat je bij je afhankelijkheid van Hem bepaalt. Je wordt dan zo volkomen teruggeworpen op de basis van het leven, de zin van het bestaan, en de kern van de boodschap van de Bijbel! Je leeft er veel intenser, omdat je daar volkomen afgesloten zit van de buitenwereld en alleen met elkaar, met de mensen om je heen, en met God te maken hebt. Als je dan terug in Wamena bent is het al weer zo totaal anders! Laat staan in Wezep, of ook hier in Mamasa. Dit is de geciviliseerde wereld: waar iedereen druk is met van alles en nog wat; waar contacten vaak zo vluchtig zijn omdat haast niemand tijd heeft; waar boven het huis hiernaast nog een eenzame Nederlandse vlag wappert uit de tijd van de WK. Soms krijg je het gevoel dat je op een andere planeet bent geweest, een andere wereld dan die van ons; het leven hier heeft nauwelijks raakvlakken met dat in de Kombai en Korowai.

Dan verlang je wel eens terug naar de intensieve omgang die we daar hadden met de mensen in Wanggemalo. En naar al die keren, dat Dineke en ik op een paar krukjes op het grasveld voor ons huis in de stilte zaten te genieten van het vallen van de avond, en het verschijnen van de sterren, die geweldige hemelkoepel, 180 graden hoog en wijd, eerst de heldere Venus, dan vlak boven de horizon het Zuiderkruis, en tenslotte de witte baan van de Melkweg hoog boven ons. Daar blijf je naar kijken, en ga je van zingen: hoe groot zijt Gij!

 

A Dieu!

Jaap

Brief-7, met nabeschouwing

08-12-2009 12:06

Jakarta, 5 december 2009

Selamat berhari Minggu! Selamat berhari Minggu! Selamat berhari Minggu! Er lijkt geen eind aan de rij te komen die langs ons heen de kerk uitschuifelt. Alle kerkgangers geven na afloop van de dienst de voorgangers een hand: Goede zondag! Goede zondag! Goede zondag!

Vanmorgen heb ik hier gepreekt, in deze kerk in het centrum van Salatiga. Dat vormde de afsluiting van mijn bezoek aan deze kleine kerkgemeenschap op Midden Java. Het was een mooie dienst, - echt een goede gereformeerde preek, reageerde een met een Javaanse vrouw getrouwde Duitse theoloog die hier al jaren woont en werkt. Er werden bekende liederen gezongen uit de bundel die ook bij onze ‘eigen’ kerken in gebruik is. Daarnaast zingen ze ook uit de psalmen, en uit nog een ander gezangboek: dat wisselt elke zondag volgens een vast schema. Ja, het was echt een feest hier te zijn! Het feest van de geloofsherkenning, bij alle verschillen. Pesta iman!

Die term ben ik hier de afgelopen weken een paar keer tegen gekomen: pesta iman, een geloofsfeest, de blijde ervaring van geestelijke verbondenheid. Zo werd in Mamasa in sommige toespraken de Algemene Vergadering van de PGI getypeerd: geen zakelijke vergadering, maar de blij makende ontmoeting met zoveel medechristenen uit alle hoeken van het land. Voor kerken die een vaak gediscrimineerde en soms zelfs vervolgde minderheid vormen in dit uitgestrekte land, moet dat ondanks alle onderlinge verschillen inderdaad een geweldige belevenis zijn! Iets als een schooldag-oude-stijl in het groot. Toogdag in tenten: de maaltijden werden genuttigd onder grote gespannen zeilen buiten de vergaderhal. Gelukkig was het de meeste tijd droog.

Pesta iman! Die typering kom ik een week later opnieuw tegen, bij de sluiting van een jaarlijkse classisvergadering op Midden Java. Ik denk dat maar weinig afgevaardigden in Nederland een classisvergadering als een feest zullen ervaren. Maar in de context waarin deze kerken hier op Java leven, te midden van een zee van moslims, fungeert zo’n bijeenkomst als een feestelijke ontmoeting met geloofsgenoten. Daar maken ze dan ook wat van, die drie dagen dat ze in bijeen zijn. Om elkaar te bemoedigen, en zelf ook weer nieuwe semangat (energie, enthousiasme) te krijgen voor straks, als je weer thuis komt in je eigen dorp.

Pesta iman! Geldt dat ook voor de synode van onze zusterkerken op Kalimantan, die ik hier deze dagen in Sentagi bijwoon? De term heb ik nog niet gehoord, maar zelf ervaar ik het in elk geval wel als een feest om hier te zijn. Niet alleen omdat het fijn is al die oude bekenden weer te ontmoeten. Maar vooral om ze hier met elkaar bezig te zien. Allerlei praktische zaken komen aan de orde. Hoe om te gaan met doopaanvragen door mensen met een geestelijke beperking? Is het acceptabel om iemand in de gemeente die met bepaalde moeiten te kampen heeft, in de kerk naar voren te halen, om dan speciaal voor die persoon te gaan bidden? Eén van de drie classes wordt wel erg groot: is het niet beter die te splitsen? En als ze horen welke zaken onze kerken in Nederland bezighouden, zetten ze dat ook meteen op de agenda, en wordt er ook hier (zonder dat ik daar om heb gevraagd) een studiecommissie benoemd die zich moet gaan buigen over wat er op grond van de Schriftgegevens te zeggen is over vrouwelijke ambtsdragers. Misschien komt er helemaal niet veel uit (en de ervaring leert om op dit punt niet al te optimistisch te zijn), maar alleen het feit op zich dat ze het oppakken is al hartverwarmend, en een prachtige concrete invulling en beleving van de zusterkerkrelatie die zij met ons hebben. Pesta iman!

Pesta iman! Dat zou je zonder overdrijven ook van de Litindo-reis kunnen zeggen, zoals ik die de afgelopen weken heb mogen maken. Acht weken feest van blijde geloofsherkenning, op zoveel plaatsen, met zoveel broeders en zusters, in zo totaal verschillende omstandigheden. Die bezorgde ouders van een paar SETIA-studentes in Lumbuwinu op Sumba; ibu Kale, de oude weduwvrouw in de gemeente van Bakunase in Kupang; Dominggus en zoveel andere geloofsgenoten in Mamasa; al die ontmoetingen op de Algemene Vergadering van de PGI; Yonatan Sukarti, de evangelist in Ngaduman (het dorpje tegen de berghelling hoog boven Salatiga); en op Kalimantan bij onze ‘eigen’ zusterkerken. Zeker, je komt ook dingen tegen waar je verdrietig van wordt. Als dienaren in de gemeenten zich gaan gedragen als kerkvorsten. Maar dan zie je daar tegenover toch ook weer de worsteling om daaruit te komen. Alleen: de satan is zo sterk… Bij ons trouwens ook. En daarom: herkenning, ook en juist in die strijd om trouw te blijven en kerk te zijn op basis van Gods Woord.

De eerste zondag dat ik weer in Wezep ben, is het daar Avondmaal. Pesta iman! Feest van onderlinge geloofsverbondenheid in Jezus Christus. Op deze reis heb ik hier in Indonesië ook twee keer Avondmaal gevierd. De eerste keer in Mamasa: daar werd de vergadering van de PGI (zie brief-5) afgesloten met een gezamenlijke Avondmaalsviering. En de tweede keer in Getasan, een dorpje buiten Salatiga, waar het Avondmaal gevierd werd bij de sluiting van de classisvergadering. Het heeft eigenlijk wel heel iets moois, dat je na een vergadering waarin je in soms misschien verhitte discussies tegenover elkaar hebt gestaan, niet uit elkaar gaat voordat je samen eerst blij de fundamentele eenheid hebt beleden en gevierd van het mogen leven uit genade alleen, door het lijden en sterven van Christus Jezus. Pesta iman!
Nu waren er zeker in Mamasa wel vraagtekens te zetten bij die fundamentele eenheid van al die afgevaardigden. En de viering ging ook niet volgens de regels die wij hier in Nederland met elkaar hebben afgesproken. Maar je kunt niet overal in de wereld naast alle verschillen je eigen vrijgemaakt-gereformeerde maatlat leggen, hoe overtuigd je ook bent van de waarde daarvan. Niet aangaan zou ook alles hebben afgebroken wat ik in die week had bereikt. Ik was hier om contacten te leggen, ingang te vinden voor onze boeken en verdere activiteiten. Vanuit de overtuiging, dat die boeken ook in deze kerken heilzaam kunnen werken, door mensen voor het eerst of opnieuw te bepalen bij de Bijbelse grondslag van de reformatie: sola fide, sola gratia, sola Scriptura. Zo had ik mezelf en het werk van Litindo ook gepresenteerd, toen ik die morgen de vergadering had mogen toespreken. In de voorgaande dagen had ik heel wat mensen ontmoet van wie ik overtuigd ben dat ze oprecht de Heer willen dienen. Maar om me heen zag ik ook afgevaardigden, waarvan ik zeker wist dat we fundamenteel verschillende theologische en kerkelijke opvattingen hebben. Maar uiteindelijk mag dat niet bepalend zijn voor het al of niet aangaan: je moet bij het Avondmaal toch in de eerste plaats omhoog kijken, en niet opzij; tenminste niet in die zin, dat je het al of niet aangaan af laat hangen van wie er verder allemaal om je heen zitten.

Bij die classis op Java was dat laatste veel minder een probleem: daar had ik vanaf het begin een hartverwarmende eenheid rond het Evangelie ervaren. Pesta iman! Jammer dat we met onze huidige kerkelijk regels geen officiële kerkelijke relatie met hen kunnen onderhouden: net als 99% van de andere kerken in Indonesië, hebben ze ook vrouwelijke ambtsdragers. Ik vraag me alleen wel eens af of die regels bij ons niet te veel het karakter van een sjibbolet hebben gekregen, waarbij de kern van het geloof helemaal niet aan de orde is, en ook niet meer aan de orde kan komen…

Nog een paar dagen, dan ben ik weer thuis. Bij Dineke en de kinderen. Feest! En dan volgende week zondag: weer thuis in de gemeente, rond de tafel van onze Heer Jezus Christus. Pesta iman!
In gedachten ben ik dan straks aan de Avondmaalstafel in Wezep ook even weer op de Sidang Raya in Mamasa. En op die classis in dat kleine kerkje op Midden Java. En als ik mijn ogen dicht doe zie ik al die kerken waar ik de afgelopen zondagen ben geweest en heb gepreekt. Al die gezichten van zoveel broeders en zusters. Die lange rij na afloop van de kerkdienst in Salatiga. Selamat berhari Minggu! Selamat berhari Minggu!
Hoe wijd is Gods werk!

Nabeschouwing

Dineke draait het contactsleuteltje om, en het geluid van de motor sterft weg. We staan op de oprit voor ons huis. Maandagmorgen, 10 voor 9, het eind van een lange reis.
“Nou, dat was het dan..”, zeg ik.
“Ja, en nu maar weer aan het werk!”, reageert Dineke laconiek.
Dat meent ze natuurlijk niet echt. Maar er zit toch een kern van waarheid in. Je komt thuis, en iedereen is blij je weer te zien. Jaap komt even langs met Yaël. Nieke en Herman lopen even binnen. Goede reis gehad? Was wel druk, he?
Maar morgen stapt Dineke weer op de fiets naar haar werk, de jongens gaan naar school. De koffer is uitgepakt, alles ligt weer netje opgeborgen in de kast.
En ik zit weer achter mijn bureau. Vóór mij een hele stapel post van de afgelopen weken. En er zijn ook heel wat mails door te werken. Voor je het weet zit je weer in je oude ritme. Alsof je niet weggeweest bent.
Maar mijn hoofd zit nog vol beelden van al die ontmoetingen, de afgelopen weken. Mijn gedachten zweven eigenlijk nog constant terug naar ginds. En al pak ik nu mijn werk hier weer op waar ik in oktober gebleven was, toch is alles anders. Want ik ben uitgerust met nieuwe en hernieuwde indrukken van de mensen en de kerken in Indonesië waar we dat werk in Litindo voor doen. Het beeld is weer scherp gesteld, en opnieuw verbreed. Al die gevoerde gesprekken en discussies, al die gehoorde verhalen, vormen samen de nieuwe klankbodem die de boeken waar we aan werken een vollere klank moeten geven die beter afgestemd is op de Indonesische oren waar we voor schrijven.
Wat is het thrilling om zo in dat wereldwijde werk van onze God een klein radertje te mogen zijn! Een ontroerende en spannende ervaring die je met sensatie en geestdrift vervult!
En zó inderdaad met te meer ijver en enthousiasme nu maar weer aan het werk!

Jaap,
Wezep 8 december 2009

resterend programma

26-11-2009 00:52

Het eind van de rondreis komt in zicht. Gisteren na een autorit van 10 uur hier in Makassar aangekomen. De volgende punten staan nog op het programma:
Vanavond vlieg ik door naar Yokyakarta, waar ik wordt opgehaald door mensen van de GKJTU (Christelijke Kerk op Midden Java ten Noorden), voor een bezoek van een paar dagen aan deze kerken, en aan Christian Gossweiler, een duitser die daar werkt.
Zondagmiddag ga ik dan terug naar Yokya, voor een bezoek aan Gert den Goeijen, een uitgezondene van de GZB, die daar zijn taalstudie doet en vanaf januari gaat werken als docent aan de kerkelijke opleiding in Rantepao (Toraja),
Maandag stap ik dan weer op het vliegtuig, naar Pontianak, voor een bezoek namens BBK aan onze zusterkerken daar: die houden die week hun 2-jaarlijkse synode in Sentagi, Bengkayang.
Die donderdag ga ik dan terug naar Jakarta. Daar moeten dan nog een aantal besprekingen gevoerd worden met uitgevers, vertalers, docenten, en andere kennissen.
En dan die zondagavond zit het werk er hier op en begint de thuisreis.
Deo Volente!

Brief-5

25-11-2009 15:01

Brief-5, Mamasa 21 november 2009

 

Wie van jullie wil dominee worden? Ik!, klinkt het prompt uit de mond van de kleinste van het stel kinderen dat zich verdringt voor mijn boekentafel. Dan mag jij dit van mij hebben!, zeg ik, en ik geef hem de folder die wij over Litindo hebben gemaakt. Maar hij is moslim, vertellen de andere kinderen. Oh, nou, dan moet je hem maar weer terugleggen. Het jongetje staat wat beteuterd te kijken, dan legt hij de folder terug "Saya punya orang tua Islam", zegt hij dan tegen mij, mijn ouders zijn Islam…

 

Hier in Mamasa wordt deze dagen de 5-jaarlijkse Algemene Vergadering van de PGI gehouden, de Indonesische Bond van Kerken. Afgevaardigden van 83 van de totaal 88 aangesloten lidkerken, totaal zo'n 1000 mensen, zijn hier bijeen onder het thema: De Heer is goed voor alle mensen (Ps. 145:9a). Dat thema wordt in de toespraken, maar ook in de dagopeningen en dagsluitingen, naar allerlei kanten uitgewerkt. Ds. Untung van de Gereja Toraja Mamasa (vroeger zendingsgebied van de CGK) gebruikte in zijn preek over Rom. 3:22 in de dienst die voorafgaand aan de opening werd gehouden het voorbeeld van hanengevechten. Die zijn hier in Indonesië nog altijd erg populair. Als je een goede haan hebt, ben je daar zuinig op, en je zorgt er goed voor, en je vindt natuurlijk dat jouw haan de beste is van allemaal, en je hoopt dat jouw haan alle andere hanen zal verslaan. Helaas gaan we binnen de kerk ook nog vaak op die manier met elkaar om, als predikanten, en als kerken onderling: als vechthanen. En met de overtuiging dat wij alleen de waarheid in pacht hebben. Maar God is niet verdeeld, Hij is Eén! En Hij is goed voor alle mensen: voor bekwame mensen, en voor hen die minder bekwaam zijn, voor armen en voor rijken, voor volwassen gemeenteleden, maar ook voor jongeren, voor werknemers en voor ambtenaren. Hij is ook goed voor mensen van andere godsdiensten. En ook voor mensen uit andere landen is Hij goed. Hij is de enige bron van de waarheid. Maar als God goed is voor ons, moeten wij ook goed zijn voor anderen, voor alle mensen, zonder uitzondering. Zelfs voor terroristen: God is goed voor hen, ook al zijn zij niet goed voor ons en verbranden ze onze kerken. Het is onze roeping om Gods goedheid te laten zien aan alle mensen.

Met dit thema kun je natuurlijk ook te ver gaan. En soms gebeurt dat ook. Dan verkondigt bijvoorbeeld een predikant in een dagopening over Hand. 10, dat God ook via andere godsdiensten zoals Islam of Hindu, mensen tot zaligheid brengt. Daar komt dan wel kritiek op, maar deze stroom van alles relativerend pluralisme is toch wel behoorlijk dominant.

Ik ben hier namens Litindo, om onze boeken bekendheid te geven onder kerken waar we tot dusver geen contacten mee hebben. Indonesië is zo groot, je kunt onmogelijk overal naar toe gaan, maar hier zijn ze leiders allemaal bij elkaar. Hoewel, allemaal… Er zijn ook nog gemeenschappen van Evangelische kerken, en van Pinksterkerken. Indonesië telt nu al meer dan 400 verschillende kerkgenootschappen! Maar de meeste kerken die hun wortels in de gereformeerde traditie hebben, zijn hier toch wel te vinden. Achter de vergaderhal is een markt met allerlei kraampjes, net als op een DVN-dag, en daar sta ik ook tussen met onze boeken. Gelukkig heb ik hulp gekregen van een paar studenten van de Theologische Opleiding hier in Mamasa, zodat ik er niet steeds zelf bij hoef te blijven, maar ook een groot deel van de vergaderingen bij kan wonen. Die zijn leerzaam en boeiend. Zoals de verslagen over hoe PGI heeft gehandeld in de situatie op Papua, en bij de recente problemen rond SETIA in Jakarta. Maar ook de lezingen van en discussies met een paar vooraanstaande Islamitische leiders over de rol van de Islam in Indonesië, het probleem van de syariah, en de waarde van de Pancasila – de grondwet van Indonesië die vrijheid van godsdienstoefening moet waarborgen voor Christenen en Katholieken, Islam, Hindu en Buddha. Indonesië is geen islamitische staat; maar lijkt wel hard op weg er één te worden! Langs politieke weg is het niet gelukt, dus nu proberen ze het op locaal niveau (zoals je soep eet: vanaf de rand!). Dan worden bv op veel plaatsen op openbare scholen ook niet-christenen verplicht worden om hoofddoekjes te dragen. Eén van de effecten is wel, dat in één van die plaatsen een katholieke school een enorme toevloed van Islamitische leerlingen kreeg, die geen zin hadden in die hoofddoekjes: niet alle Islamieten zijn zo fanatiek! Keer op keer wordt benadrukt dat ook binnen de Islam in Indonesië zelf een hevige discussie wordt gevoerd over deze dingen, en dat de fanatieke groeperingen wel veel publiciteit krijgen, maar in feite een heel kleine minderheid vormen. Maar op Lombok zijn in 2000 alle kerken verbrand, evenals alle huizen van christenen. En die kerken zijn nog altijd niet herbouwd. En er worden nog altijd kerken gesloten in Indonesië. Velen zijn dan ook erg pessimistisch, en hebben maar één hoop: Jezus Christus!

Bij die vergaderingen maak je de meeste contacten: in de pauzes, tijdens de gezamenlijke maaltijden. En omdat het bij elkaar een week duurt, zie je dezelfde mensen ook steeds weer. Morgen krijg ik hier zelfs gelegenheid om tijdens de vergadering officieel (maar wel kort) het werk van Litindo te presenteren.

Dat we (de afgevaardigde van de CGK en ik) tot het eind blijven, wordt duidelijk gewaardeerd. De afgevaardigden van Kerk-in-Actie (PKN) en van Eukumindo gingen de dag na de opening al weer op huis aan. Dat wij blijven, en ik er steeds bij zit, ervaart men als echte interesse. Jammer genoeg spreekt de man van de CGK alleen Engels, maar gelukkig hij heeft hier in Mamasa ook nog andere dingen te doen.

Bij de officiële opening op het tot een groot stadion omgebouwde voetbalveld van Mamasa, waren nogal wat overheidsfunctionarissen aanwezig. Uiteraard van het plaatselijk bestuur, maar ook van de provincie, en namens de president van Indonesië sprak de minister van verbindingen. Zijn komst deed nogal wat stof opwaaien: hij landde (nadat we 3 uur op zijn komst hadden gewacht!) per helikopter midden op het veld tussen de tribunes, terwijl het hoofd van de christelijke afdeling van het ministerie van godsdienst bezig was aan zijn officiële toespraak – hij moet wel afbreken. Nu is dat voetbalveld een grote zandvlakte, en het had dagen niet geregend, dus het gevolg was een wervelende zandstorm, die zich uitstortte over al die feestelijk geklede mensen. Van een deel van de tribunes vloog de versiering af, en sommige dekzijlen sloegen los. Alom consternatie, woede, verontwaardiging. Mensen van de half vernielde tribune gooiden met stoelen, kwamen opgewonden naar de eretribune (waar wij ook zaten), eisten uitleg. Even later kregen we een tweede laag, toen de heli weer vertrok. Mensen in tranen: het begon allemaal zo mooi, en nu dit… De minister zit ondertussen stil op zijn stoel af te wachten hoe het af gaat lopen. Oproerpolitie rukt aan om zo nodig de orde te herstellen. Maar gelukkig, het koor van 1900 man gaat zingen, leiders van het organiserend comité weten de mensen tot kalmte te brengen, en na een half uurtje wordt het programma voortgezet.

Alle sprekers bieden hun verontschuldigingen aan: de voorzitter van de organisatie, de voorzitter van de PGI, het hoofd van dit gebied, de gouverneur van de provincie. Allen grijpen het gebeuren aan als illustratie van hoe ver dit gebied bij de rest van Indonesië is achtergebleven: er is niet eens een fatsoenlijke landingsplaats voor een heli, laat staan een vliegveld; en hoe slecht de wegen zijn hebben we allemaal op weg hierheen ervaren (10 uur met de auto over 340 km vanaf Makasar). En kennelijk zijn ook de communicatiemiddelen ontoereikend, want het was nooit de bedoeling geweest dat de heli hier zou landen, maar ergens buiten Mamasa: daar had al een hele deputatie staan wachten. Allemaal doen ze een beroep op de minister van verbindingen (!) om hier iets aan te doen!

Als deze eindelijk als laatste het woord krijgt, biedt hij wel verontschuldigingen aan, bekrachtigt inderdaad de al eerder gedane toezegging dat Mamasa een vliegveld zal krijgen. Maar verder gaat hij niet in op alles wat gezegd is.

Gisteravond waren alle afgevaardigden bij de Bupati (hoofd van dit rayon) te gast voor de avondmaaltijd. Voorafgaand werd de dagsluiting gehouden. Daarbij hadden ze mij gevraagd om het gebed voor de maaltijd uit te spreken. Leverde na afloop weer heel wat nieuwsgierige vragen op waar ik zo goed Indonesisch had leren spreken.

Vandaag werden de afgevaardigden naar 36 verschillende kerken in de omgeving gebracht, om daar de kerkdienst mee te maken. Zelf was ik ingedeeld bij afgevaardigden van een Lutherse en een Methodistische Batakkerk, een Papua, en de afgevaardigde van de CGK. Samen hebben we met veel genoegen geluisterd naar een preek van de bisschop van de Methodistenkerk, over 2 Tim. 1:7. Heel praktisch, met tal van voorbeelden uit het dagelijkse leven hier in Indonesië, soms komisch, maar tegelijk ook heel ernstig. How do you live before you die? Hoe leef je? Een indringende vraag, die we allemaal persoonlijk moeten beantwoorden. Waar we ook leven.

 

Mamasa

19-11-2009 14:38

Vandaag is hier in Mamasa de Algemene Vergadering van de PGI officieel geopend. Zou er heel wat over kunnen vertellen, maar helaas ontbreekt me daar nu even de tijd voor. Het is enorm boeiend hier bij te zijn, en zoveel mensen te spreken uit alle hoeken van Indonesië, en van zoveel verschillende kerken. Echt een unieke ervaring. U hoort er nog meer van!

Banda

11-11-2009 12:05


Water, water, water. Niets dan water, waar ik ook kijk. De hele wereld lijkt wel te bestaan uit water. Vanmorgen een prachtige zonsopgang gezien. Maar die deining! Zo langzamerhand komt mijn maag in opstand tegen dat eindeloze op en neer, heen en weer. Dit moet niet te lang meer duren. Wat begon als een leuk tochtje over de Banda-zee begint zo langzamerhand een marteling te worden. Waarom doe ik dit eigenlijk?! Voor de zoveelste keer tuur ik de horizon af. Waar blijft dat rottige eiland… We zijn al ruim 12 uur onderweg, en moeten er nu toch zo’n beetje zijn! Waarom zie ik dan nog steeds niks? Ik hou het gewoon niet meer!

Gisteravond zijn we met 2,5 uur vertraging met een kleine houten ferry vertrokken uit de haven van Ambon, op weg naar Banda, een groep kleine eilandjes midden in de wijde zee van de Zuid-Molukken. Vannacht in een bloedhete hut heb ik geprobeerd wat te slapen, maar dat werd niet veel. Er staat een behoorlijke golfslag, en je rolt voortdurend heen en weer. Nog voor het licht wordt zit ik al weer bij de reling, en kijk uit over de zee.
Het doet me denken aan de lessen die ik een paar weken terug in Waingapu heb gegeven. Toen hadden we het over de twee naturen van Christus. Dat zijn toch geen twee gelijkwaardige grootheden, zijn goddelijkheid en zijn menselijkheid: wordt die menselijkheid niet verzwolgen door de onmetelijkheid van zijn goddelijkheid? Zo ongeveer was de opvatting van Eutyches: als een druppel olie in de onmeetbare zee: die vermengt zich met het water, en vindt je nooit meer terug! De kerk veroordeelde die leer van een vermenging van de twee naturen, maar inderdaad: wat een water, wat onmetelijk groot is de zee!
Eén van de bemanningsleden komt vertellen dat we er vandaag 3 uur langer over doen, omdat we langzamer moeten varen vanwege die deining. Dat is de druppel die bij mij de emmer doet overlopen. Ik zoek een plastic zakje en geef me over aan mijn misselijkheid. Ik voel me belabberd, en kan geen golven meer zien. Waarom doe ik dit toch?
Een Bijbeltekst komt bij me op: en de zee was niet meer… Wat een prachtige tekst! Dat is natuurlijk contextuele exegese, en ik heb in mijn commentaar op Openbaring zeker weten een andere uitleg gegeven. Maar toch! En opnieuw moet ik denken aan dingen waar ik op deze reis mee bezig ben. In Jakarta had ik overleg met Marianus over een hoofdstuk uit de dogmatiek (zie brief-1). Die dogmatiek willen we schrijven binnen de Indonesische context: wat is voor de mensen die hier leven relevant, in deze cultuur, en in deze kerkelijke en godsdienstige verscheidenheid. Niet dat er dan opeens een heel andere leer uit komt. Maar er zullen misschien wel andere accenten moeten worden gelegd. Dingen die bij ons in Nederland niet zo’n grote rol spelen, zullen hier mogelijk veel breder moeten worden behandeld tegen de achtergrond van het oude geloof of de moderne opvattingen. En omgekeerd. Juist daarvoor hebben we Marianus bij het project betrokken, omdat je daar toch echt iemand uit Indonesië zelf bij nodig hebt. Doe je dat niet, dan wordt het de zoveelste vertaalde westerse dogmatiek.
En hier op Ambon zal ik met een aantal docenten aan de theologische opleiding van de Molukse kerken een bespreking hebben over een vergelijkbaar project. Litindo werkt samen met de GZB, de CGK, de Ger.Gem. en nog een paar instanties aan een Bijbels theologisch woordenboek. Maar ook dat moet geschreven worden binnen de context van Indonesië. Die context bepaalt mede welke woorden in dat boek een plaats moeten krijgen, en welke minder van belang zijn. En Indonesische meelezers of coauteurs zijn daarbij onmisbaar.
In een boekje dat ik voor onderweg bij me heb, lees ik over deze problematiek een opmerkelijke uitspraak van een Afrikaanse theoloog: “Theologen uit jonge kerken hebben hun pelgrimstochten gemaakt naar de theologische onderwijscentra van de oude kerken. We hadden geen keus. We hebben met u theologie gegeten, we hebben theologie met u gedronken, we hebben met u van theologie gedroomd. Maar het was allemaal eenzijdig. Het was allemaal als het erop aankomt uw theologie… Wij kennen u theologisch. De vraag is of u ons theologisch kent. Wilt u ons theologisch wel kennen?” Het zet je aan het denken over waar wij mee bezig zijn: op Papua, op Sumba, op Kalimantan. Mensen van GGRI en GGRC laten studeren in Hamilton, docenten van SETIA een bijscholing geven in Kampen. Prachtig! Er is geen andere keus. Maar straks moet het wel echt Indonesische theologie gaan worden, en Indonesische kerken. Zijn wij daar wel klaar voor? Of vinden we toch eigenlijk dat de kerken daar organisatorisch en dogmatisch als twee druppels water moeten lijken op wat wij in Nederland (of in Canada of Australië) hebben?

Na 17 uur varen doemt eindelijk Banda uit de zee op. Als een oase in de dorre zeewoestijn. De gunung api, een vulkaan die recent in 1988 tot uitbarsting kwam, en waar nog altijd een rookpluim boven hangt. Daar vlakbij Banda Naira, het hoofdeiland, al is het een stuk kleiner dan het als een banaan daar omheen liggend Banda Besar, ‘groot Banda’. En nog een stuk of wat andere eilandjes.
Er hangt een weldadige rust. Geen auto’s hier: het Schiermonnikoog van Indonesië. In de straten van het dorp hangt nog de oude koloniale sfeer van vroeger. Rijke huizen van vroegere Nederlandse plantagehouders. De woningen waar de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders Hatta en Syahrir vlak voor de oorlog geïnterneerd hebben gezeten.
Deze eilanden hebben ondanks hun geringe omvang een indrukwekkende rol gespeeld in de geschiedenis. Vanaf de 15e eeuw kwamen Arabische, Chinese, en later Portugese, Engelse en Nederlandse handelaren af op de kruiden van deze specerijeilanden, zoals nootmuskaat en kaneel. Jan Pietersz Coen maakte vanwege het economisch belang van de VOC korte metten met locale tegenstand – niet iets om als Nederlander trots op te zijn, ook al meende hij de Heer ermee te dienen. Engeland hield greep op één van de eilandjes, Run. Om toch het monopolie op de wereldhandel in deze kruiden te krijgen, besloot Nederland toen tot een ruil: Engeland mocht Manhattan hebben, als zij Run zouden afstaan aan Nederland. Aldus geschiedde.

Recent werd hier opnieuw geschiedenis geschreven. In de onlusten die hier rond 2000 in de Molukken uitbraken tussen Moslims en Christenen, werd de kerk verwoest en de hele christelijke gemeenschap van het eiland verdreven. Die mensen hebben van de overheid een nieuwe locatie toegewezen gekregen op het eiland Ambon, waar ze nu al weer een jaar of acht wonen. Sommigen willen wel terug, nu de rust is weergekeerd. Maar ze hebben daarvoor nog altijd geen toestemming gekregen.
Deze geschiedenis is de directe aanleiding voor mijn bezoek aan deze kleine archipel. Vorig jaar heb ik in Ambon een deel van het oude kerkelijke archief van Banda gedigitaliseerd. Die mappen waren vlak vóór de onlusten uitbraken, naar Ambon in veiligheid gebracht. Maar een deel van het archief is toen op Banda achtergebleven. Wat is daarmee gebeurd? Is het verloren gegaan bij de vernielingen? Of heeft iemand de waarde ervan ingezien en de documenten van de ondergang weten te redden? Er is maar één man die daar het antwoord zou kunnen geven: Des Alwi, de ongekroonde koning van dit eiland. Ik logeer in zijn hotel, waar overal foto’s hangen van zijn ontmoetingen met de groten der aarde: prins Bernhard, president Nixon, de natuurfilmer Cousteau, om een paar te noemen. Ik heb een drietal DVD’s bij me met de opnamen die ik vorig jaar van het archief in Ambon heb gemaakt; Des Alwi is bijzonder geïnteresseerd in geschiedenis, en heeft hier vast wel belang bij. Jammer genoeg is hij niet op het eiland. Ik schrijf een brief bij de DVD’s, om één en ander uit te leggen, en hem te vragen of hij weet of er nog iets bewaard is gebleven. De man van het hotel belooft het aan hem te zullen geven.
Het witte kerkje is inmiddels door de overheid herbouwd. Zodra ik mijn intrek genomen heb in het hotel, loop ik er heen. Een prachtig gebouw, op een locatie die kenmerkend is voor de belangrijke plaats die de kerk hier in het verleden op dit eiland altijd heeft gehad. En er wordt tegenwoordig ook zo nu en dan weer dienst gehouden, voor een aantal christelijke ambtenaren die hier op dit eiland werken. Daarvoor komt dan de dominee van Ai speciaal naar Banda Naira.
Ai is zo’n beetje het enige eiland in de Molukken waar geen onlusten zijn geweest, en waar moslims en christenen nog altijd in vrede naast elkaar wonen. Ik was van plan dat eiland een bezoek te brengen, en zag uit naar gesprekken met de predikant daar. Helaas lukt dat niet: door een onverwachte wijziging in de dienstregeling van de boten, moet ik de volgende dag al weer terug naar Ambon om niet te laat te komen voor mijn vlucht naar Makassar. Doodzonde: 32 uur varen, en nog geen 24 uur op Banda, in plaats van de dag of vier die gedacht had hier te kunnen doorbrengen. Erg onbevredigend!
Banda is beslist één van de mooiste plekjes in Indonesië. Beroemd vooral ook om de prachtige koralen. Vlak voor mijn vertrek ga ik nog even een half uurtje snorkelen. Schitterend, en wat een vissen, in alle mogelijk kleuren en vormen. Je raakt niet uitgekeken. Wat is de schepping mooi!
Op de terugweg, als Ambon al weer in zicht is, springen hele scholen dolfijnen rond de boot uit het water. Een eind verderop schiet een fontein recht omhoog uit zee, en even later komt het reusachtige lijf van een walvis even boven de golven uit. Ook dàt is de zee:
Daar wemelt het, zonder tal
Van dieren, klein en groot
Daar bewegen de schepen zich voort
Daar gaat de Leviatan, door u gemaakt om ermee te spelen
Hoe talrijk zijn uw werken, HEER,
Alles hebt u met wijsheid gemaakt!

Brief-3, met naschrift

04-11-2009 10:36

Brief-3, Kupang 1 Nopember 2009

 

In de koelte van de veranda voor het huis van de evangelist zitten we wat na te praten, na de kerkdienst, als één van de kerkgangers van vanmorgen, een oude weduwe van in de 70, aan komt lopen, terug van huis. Ze heeft een grote plastic zak vol mangga's bij zich. Heerlijk! Maar behalve dat heeft ze ook haar bijbel weer meegenomen. Want ze heeft nog een vraag over een tekst, die ze mij wil voorleggen...

 

Het gaat over een tekst uit Mattheus. Ze heeft er Jan Boersema ook al eens naar gevraagd, maar toen was het erg onrustig en heeft ze zijn antwoord niet goed verstaan en begrepen. Ik haal mijn eigen bijbel er bij, en zittend op het muurtje van de veranda proberen we er uit te komen.  

Het is één van de mooie momenten hier in Kupang. Gisteren gaf ik een seminar voor de gemeente, van 's morgens 9 tot het eind van de middag. Zo'n 50 deelnemers, waaronder ook een aantal van andere kerken. Het was een drukke dag, met levendige discussies. En het leuke was, dat niet alleen hoog opgeleide academici aan de discussie deelnamen, maar ook jongeren, en oude weduwen, zoals die vrouw waar ik het net over had. En stuk voor stuk kwamen ze met zinnige vragen en opmerkingen. 's Morgens ging het over de zendingsreizen van Paulus, aan de hand van het boek van prof. Van Bruggen, dat Litindo binnen niet al te lange tijd in het Indonesisch wil laten verschijnen. De tweede helft van de dag spraken we over de benaming 'Zoon van God' voor Jezus en in de leer van de drie-eenheid.

Vanmorgen heb ik hier gepreekt. Over hoe Jezus met zijn offer aan het kruis het leven weer de moeite waard heeft gemaakt. Eerst de zinloosheid van het leven, zoals de Prediker dat tekent. Zo is het geworden toen de mens de band met God verbrak. Maar God had er in Jezus alles voor over om dat leven-zonder-uitzicht weer héél te maken. Daarvoor gaf Hij zijn eigen leven, betaalde met zijn eigen bloed (Fil. 2). Als uitgangspunt had ik de gelijkenis van de koopman die alles over had voor die kostbare parel: Jezus die alles over had voor zijn gemeente. Zo is de band met God hersteld. Zonder die band met God is alle samenwerking tussen mensen maar betrekkelijk. Maar met die derde streng erbij (Pred. 4:12) wordt het koord tussen broeders en zusters onverbrekelijk, en krijgt het leven toekomst!

 

Aan die geestelijke houding, zoals Paulus die ons in Filippenzen 2 met zoveel nadruk op het hart bindt, ontbreekt het helaas vaak in ons leven. En als dat bij leiders in de kerk het geval is, dan gaat de kerk daaraan kapot. Als persoonlijke belangen de boventoon gaan voeren, geldingsdrang, eerzucht, gelijk willen hebben, niet de mindere willen zijn… Dan worden dienaren van het Woord zomaar bouwers van eigen koninkrijkjes.

 

Mijn bezoek aan Rote wordt onverwachts gecanceld. Met de onwaarschijnlijke reden dat ze op Rote er niet klaar voor zijn. Vreemd, ruim 2 maand geleden kreeg ik te horen dat ze er op Rote mee akkoord waren. Nog vreemder is het, als ik nog geen vijf minuten later na meer dan een dag wachten eindelijk het telefoontje krijg van de leider van de school waar ik les ga geven, en deze mij vraagt of het bezoek aan Rote nog doorgaat, en of ik anders ook die dagen niet bij hem les wil komen geven. Dat is toch wel een beetje erg toevallig! De man die voor mij het bezoek aan Rote 'geregeld' had, en dat nu net heeft afgezegd, woont hier in Kupang, en is ook docent aan zijn school. Later krijg ik een telefoontje van één van de predikanten op Rote waar ik op bezoek zou zijn gegaan. Hij vertelt me, dat hij het pas een dag of wat geleden gehoord had dat ik wilde komen. Dat riekt toch allemaal wel heel erg naar doorgestoken kaart, en verborgen agenda's. Ondanks een verzoek van mij om een gesprek, laat de man die het bezoek heeft gecanceld niet meer van zich horen.

Als ik er met mensen uit de GGRI, die de situatie van nabij kennen, hierover spreek, bevestigen zij mijn gevoelens. De kerk waar het over gaat ligt al jaren uiteen in twee partijen die elkaar waar mogelijk zwart maken en de voet dwars zetten. Maar de ene groep is volgens hen toch wel wat zwarter dan de andere…

Ik besluit contact op te nemen met mensen van die andere 'partij'. Daar blijkt een bezoek aan 'hun' kerken op Rote wel geregeld te kunnen worden. Al zit het organiseren van een seminar er natuurlijk op zo korte termijn niet meer in. Dat begrijp ik, maar ik wil toch wel erg graag met de mensen daar zelf spreken. Ondertussen hoor ik van alles over de personen waar ik de eerdere afspraken mee had gemaakt. Dingen waar je niet vrolijk van wordt, al zou maar de helft ervan waar zijn. Het gaat over een verloren proces bij de Hoge Raad; over de macht van het geld; over een synode die geboycot werd; over starre posities als het gaat om hereniging en samengaan van kerken. Ik ben blij dat ik Windi bij me heb, een kandidaat-predikant van de GGRI hier in Kupang. Later praten we er over na, en proberen we één en ander te taxeren. Hij woont hier, en is al jaren vertrouwd met deze situatie, evenals pdt Madah Biha. En hij geeft zelf ook les op die school. We voelen op onze klompen dat het niet goed zit. Maar te bewijzen valt er niets.

 

Het bezoek aan Rote gaat dus morgen wel door. Ze checken voor alle zekerheid wel even met hùn grote baas, die net in Jakarta zit. Die geeft zijn fiat. Voor mij positief, maar de manier waarop… Wat een politiek gedoe! Wat een intriges Waar is de eensgezindheid in het dienen?! Erg lastig om je in dit kerkelijke mijnenveld te bewegen. Welke belangen spelen hier op de achtergrond? Wie is op de hand van wie? Zo op je woorden te moeten passen. Niet open en eerlijk met mensen te kunnen praten. 

Dan is een dag als gisteren bij de GGRI, en een dienst als vanmorgen, een verademing. Daarmee wil ik beslist niet beweren dat het hier in deze gemeente allemaal wel goed zit. Geen idee wat hier allemaal aan de hand is. Maar de sfeer en de omgang met elkaar is in elk geval totaal anders.

En hier hoor je dingen waar je blij en enthousiast van wordt. Onvermoede ontwikkelingen in de Gereja Bethel, een charismatische kerk die in Indonesië zijn tienduizenden verslaat – alleen niet onder niet-christenen, maar juist onder de leden van bestaande kerken. Hier op Timor heeft deze kerk het spreken in tongen verboden. Nadruk wordt steeds meer gelegd op grondige Bijbelstudie. Al twee keer is Windi gevraagd om daar voorlichting te geven over de gereformeerde leer. Natuurlijk, het is maar een momentopname, en er zal wel heel veel genuanceerd kunnen en moeten worden. Maar toch!

 

Zo nu en dan neem ik contact op met Jakarta. Bij SETIA lijkt de situatie zich even te hebben gestabiliseerd – maar voor hoe lang? Ook hier spelen allerlei verschillende motieven een rol, ook binnen de kring van SETIA zelf. Zeker in zo'n situatie, waar je als christelijke minderheid duidelijk wordt gediscrimineerd , is het moeilijk om niet op je strepen te gaan staan en een vuist te maken tegen het onrecht, en eisen te gaan stellen. Maar afgezien van het feit dat je daarmee je goede naam alleen maar schade berokkent, is het de vraag in hoeverre zo'n houding dan wel strookt met wat we bij Paulus lezen over geldingsdrang, bescheidenheid, en het oog hebben voor de belangen van anderen. Want nu zijn al die studenten de dupe…

 

Heer, maak mij een instrument van Uw liefde…

 

Een warme groet uit een heet Kupang. A Dieu!

 

Inmiddels ben ik doorgereist naar Ambon. Begin deze week ben ik op Rote geweest. Een goed gesprek gehad met één van de predikanten daar. Daardoor wordt het beeld van de situatie wel scherper. Trouwens ook door bezoeken die toch weer niet door bleken te kunnen gaan. Ook de gesprekken met de mensen die me bij dit bezoek vergezelden waren erg nuttig. Een cursus heb ik er niet kunnen geven, maar dat had ik ook niet meer verwacht.

Voor wat betreft LITINDO is dit bezoek aan Rote dan ook niet echt geslaagd. De gevoerde gesprekken hebben echter voor BBK wel het één en ander opgeleverd - terwijl dat in feite helemaal niet mijn bedoeling was. Maar ja, het loopt hier soms heel anders dan je gepland hebt...

Jaap

 

Brief-2 met aanvulling

31-10-2009 22:40

Brief-2, Sumba 25 oktober 2009

Wilt u voor ons bidden? Want morgen worden we misschien door de politie op straat gezet! En wat moeten we dan doen? Misschien gaan we wel met z’n allen de tolweg voor de school blokkeren, want we hebben geen andere plek meer waar we heen kunnen…
Zondagmiddag in Lumbuwinu, aan de uiterste zuid-oost kust van Sumba. Vanmorgen heb ik hier gepreekt, en we hebben net gegeten, als de mobiele telefoon van Ferdy gaat. Twee meisjes uit zijn gemeente, studentes van SETIA, bellen in hun nood hun predikant. Hun vader is één van de ouderlingen die meegegeten heeft. Even later geeft Ferdy hem de telefoon, en spreekt hij met zijn dochters. Vorige week zijn ze uit het tentenkamp waar ze eerst zaten, geëvacueerd naar het grote maar slecht onderhouden en volstrekt ontoereikende onderkomen dat de overheid van Jakarta vorig jaar al als alternatief onderkomen aan SETIA heeft toegewezen. Nu heeft SETIA te horen gekregen dat ze het gebouw onmiddellijk moeten verlaten, anders zal het morgen worden door de politie worden ontruimd.
Ik sms met Marianus en Yusup, en met Henk Venema. De laatste weet nog van niets, de eerste twee bevestigen het bericht. Ze proberen ontruiming te voorkomen. Bidt voor ons!
De moeder van de twee meisjes vroeg het uit kerk vanmorgen ook al: wilt u voor mijn dochters bidden? Ze studeren aan SETIA, en ik maak me zorgen…
We zitten verslagen bij elkaar, daar vóór het huis van pendeta Ferdy. Hij is nog jong, werkt hier nu een jaar of 8, eerst als evangelist, en sinds een jaar of 5 als predikant. Een trouwe en serieuze herder van zijn gemeente. Laten we maar naar binnen gaan, en samen voor hen gaan bidden, stelt hij voor. Even later zitten we in een kring, en buigen ons hoofd, terwijl hij voorgaat in een bewogen gebed voor de beide meisjes, voor hun ouders, voor de leiding van SETIA, en of de Here als het kan de harten van de overheid tot gunstig wil stemmen voor SETIA. Na het gebed blijft het een hele tijd stil.
Het is een onverwacht bezoek aan deze gemeente. Voor de mensen in Lumbuwinu, en ook voor mijzelf. Volgens de planning zou ik vrijdag op de boot stappen naar Sabu, om op dat eiland een seminar te geven voor predikanten en evangelisten. Maar de enige verbinding blijkt op woensdag te zijn. Dat krijg ik pas op woensdag te horen: of ik vanmiddag niet op de boot kan stappen? Nee dus: ik ben net begonnen aan twee intensieve studiedagen met de studenten van de theologische opleiding van de GGRI in Waingapu, en dat kan ik niet zomaar afbreken. Volgende week dan? En dan de rest van het programma ook een week opschuiven? Nee, dat gaat ook niet, iedereen heeft de planningen al gemaakt, en de tickets zijn al gekocht. Ik probeer nog even of ik die vrijdag naar Kupang kan gaan, om dan daarvandaan een bezoek aan Sabu te brengen. Dat lukt ook niet, en dan zit er niets anders op dan het bezoek aan Sabu af te zeggen. Dat bespaart me zo’n 28 uur varen, maar betekent ook dat de hernieuwde kennismaking met de broeders en zusters op dit geïsoleerde eiland niet door gaat. Dat gaat me aan het hart, voor mijzelf, maar ook voor hen: er wordt maar zelden iets voor hen georganiseerd.
Een positief effect van deze wijziging in mijn reisplan is dat ik nu de gelegenheid heb om een aantal mensen op Sumba op te zoeken, die ik anders deze keer niet ontmoet zou hebben.
Zo heb ik een gesprek van ruim 3 uur met pendeta Dara HaE Doko. We kennen elkaar al vanaf 1978, toen we een aantal maanden samen in het gastenhuis van Boma (Papua) woonden. We halen herinneringen op aan die tijd. Hij is later jarenlang docent geweest aan de theologische opleiding van de GGRI, die toen nog in Wai Marangu was gevestigd. In Waingapu geeft hij ook nog elke week een paar uur les. Hij is geboren op Sabu, en vertelt over zijn ouders en grootouders. Ik ken zijn ouderlijk huis: op één van mijn bezoeken aan Sabu ben ik met zijn broer bij zijn ouders op bezoek geweest, in die gloeiend hete heuvels. We krijgen het ook over Kupang, en over de kerkelijke situatie daar: de scheuring tussen GGRC en GGRM, waarbij het niet gaat om kerkelijke geschilpunten maar om persoonlijke belangen. Doko geeft onverbloemd zijn mening over de mensen die in dat conflict een hoofdrol spelen. Velen van hen heeft hij als studenten in Wai Marangu onder zijn gehoor gehad, en hij kent ook de families waar ze uit komen. In ons gesprek passeren verder tal van oud-zendelingen de revue: Knigge, Klamer, Griffioen, Zandbergen, om maar een paar te noemen. Hij praat maar en hij praat maar. Na de stroke die hij vorig jaar heeft gehad, is zijn persoonlijkheid duidelijk veranderd. Dat was vorig jaar op de conferentie op Kalimantan al te merken. Ook nu weer valt het op dat hij zijn emoties niet altijd de baas kan, huilen en lachen, maar vooral toch wel veel lachen. Hij kent zichzelf als een nakal persoon (ondeugend), en dat is hij zo te horen ook wel. Bij de maaltijd komen zijn vrouw en een paar van zijn kinderen erbij. Eén van zijn dochters heeft net een medische studie afgerond, en gaat werken in het ziekenhuis in Waingapu.
Deze dagen ben ik in Wai Marangu. Een oneindig veel prettiger verblijf dan het hotel in Waingapu. Hier zoek ik Mehangparatu op. Hij zit in het bestuur van de Theologische opleiding, en geeft me veel informatie over hun toekomstplannen. Wat dat betreft blijken er trouwens verschillende visies te leven binnen de GGRI. Bijvoorbeeld over waar in Waingapu de school moet komen te staan: in het centrum, of ergens aan de rand van de stad. Australië (de belangrijkste geldschieter) heeft daar volgens hem ook een uitgesproken mening over. Ben benieuwd waar dat op uit gaat lopen. Nu wordt er lesgegeven in een kerk van de GGRI: verre van ideaal, ook omdat de studenten op diverse plaatsen in de stad wonen. Er moet echt een campus komen, waar dan ook, want zo kan het niet lang doorgaan.
En vandaag ben ik dus in Lumbuwinu te gast bij pendeta Ferdy. In de jaren ’90 leerde ik hem kennen als student in Wai Marangu. In 2001 heb ik hier een weekend bij hem gelogeerd. Het is een blij weerzien. Ook nuttig om hem te spreken, want hij zit in het deputaatschap dat de predikantenconferenties van de GGRI regelt. En dit jaar is er iets niet helemaal zo gegaan als we hadden gehoopt: bij de planning van de conferentie is in eerste instantie geen rekening gehouden met Litindo. Hij legt uit hoe het allemaal gegaan is. Gelukkig ligt het niet aan onwil van de GGRI om Litindo uit te nodigen. Integendeel: ze willen Litindo er graag elk jaar bij hebben, en bij nader inzien hadden ze de planning voor dit jaar ook nog willen bijstellen, maar door een samenloop van omstandigheden is dat niet meer tijdig met mij gecommuniceerd. Jammer, maar dan volgend jaar hopelijk beter. Ik geef alvast maar door dat Henk Venema dan op de planning staat, die gaat altijd in mei of juni op reis.
Morgen reis ik weer verder. Naar Kupang, en naar het eiland Rote.
Een hartelijke groet, mede namens de broeders en zusters in Lumbuwinu.
En vergeet u niet te bidden?

31 Oktober, dag van de Reformatie.
Inmiddels hebben zich in de situatie van SETIA in Jakarta verdere ontwikkelingen voorgedaan. Er is gedemonstreerd, er zijn gevechten geweest met de politie, het gebouw is ontruimd, zonder dat er een plek was waar de meer dan 1000 studenten heen konden gaan. Christenen vormen in Indonesië een minderheid, en worden vaak ook als zodanig behandeld.
Blijft u alstublieft bidden voor al die studenten, en voor de leiding van SETIA. Ook voor Marianus Waang en Yusup Lifire, die velen van u kennen, en voor hun gezinnen, in deze dagen vol spanning en stress. Bidden dat er gauw een oplossing gevonden wordt!