Home / Weblog / Henk Venema

Henk Venema

Lees de complete weblog hier: http://pahengvoorlitindoinindonesia.blogspot.com/ 

 

Jakarta: begrijpelijke taal voor kerk en school

09-08-2012 17:34

http://litindo.org/uploads/Reisverslagen/Venema-2012/HV2012-5.pdf

Salatiga: kruispunt van theologieen

23-06-2012 18:24

http://litindo.org/uploads/Reisverslagen/Venema-2012/HV2012-4.pdf

GGRI in de lift

11-06-2012 05:42

Zie: http://litindo.org/uploads/Reisverslagen/Venema-2012/HV2012-3.pdf

Papoea: het beloofde land?

07-06-2012 04:43

Zie: http://litindo.org/uploads/Reisverslagen/Venema-2012/HV2012-2.pdf

STT-hoppen in Jakarta

07-06-2012 04:41

Zie: http://litindo.org/uploads/Reisverslagen/Venema-2012/HV2012-1.pdf

Werkreis 2012 is begonnen

20-05-2012 15:07

Na een vlotte reis met de KLM sta ik weer op Indonesische bodem. Ik kan er niet bij dat het alweer een jaar geleden is dat ik hier was. Na al die jaren verloopt de aankomst in Jakarta haast automatisch. Alsof je dit wekelijks doet: als je de slurf uitkomt, naar beneden door de rood betegelde gang; dan richting immigratie voor een stempel in het paspoort en op de aankomstkaart (die bij vertrek weer moet worden ingeleverd!); naar de bagageband voor de koffer en dan via de groene zone van de douane (niets aan te geven) naar buiten. Daar word je meteen belaagd door een horde taxichauffeurs, maar je wimpelt ze allemaal vriendelijk af. Frans, de chauffeur van het gastenhuis van PGI (Wisma PGI), staat immers op je te wachten. Zoals afgesproken. Maar … waar is Frans? Hij is er niet. Ik loop nog een keer langs de rij mensen, die al of niet met een naambordje staan te zwaaien. Nee, geen Frans. Maar wel Yusup Lifire! Hij belde me al op, toen ik onderweg was van immigratie naar de bagageband. Hij is op de luchthaven. Ik kan met hem mee, als er niemand anders is om mij af te halen. Daarvan maak ik nu dankbaar gebruik. Hij is met de auto van de school. Onderweg praten we bij en maken we plannen. En zo zit ik al snel op mijn kamer in Wisma PGI. Dick Mak zit hier ook. We hebben meteen even contact. Frans is wel naar het vliegveld gegaan, zo blijkt, maar we hebben elkaar gemist. Dat raadsel wacht nog op opheldering. In het vliegtuig heb ik wel een paar uur geslapen, maar dat was niet meer dan tidur ayam (kippenslaapje oftewel dommelen). Nu slaap ik een gat in de zondag. Het is te laat om naar de kerk van Tong te gaan (7 uur). En ook voor de Pauluskerk hier vlakbij ben ik al te laat (8 uur). Maar ik kan nog wel mooi naar de Nederlandse dienst in de Immanuelkerk (10 uur). Het groepje kerkgangers wordt steeds kleiner, niet meer dan 20, bijna allemaal goede bekenden van de tijd dat wij in Jakarta woonden. In de dienst gaat ds Binsar Pakpahan voor (docent aan de STT Jakarta, eind vorig jaar gepromoveerd aan de VU). Daarna is het ngopi ngobrol (koffiedrinken en praten) op de veranda achter de kerk. Tegen twaalven ben ik weer op mijn kamer en heb verder een heerlijk rustige zondag. Het heeft toch wel voordelen om op zaterdag aan te komen in plaats van op maandag of dinsdag. De eerste week, hier in Jakarta, zit al volgeboekt aan activiteiten. Morgen, maandag, word ik verwacht bij de uitgeverij van de meeste LITINDO-boeken, Bina Kasih. Met de directeur en het personeel heeft LITINDO in de loop van de jaren een hechte relatie opgebouwd. Ook hoop ik morgen – of op een andere dag – een bezoek te brengen aan de andere uitgeverijen/boekwinkels van onze boeken, BPK Gunung Mulia en Momentum. Dinsdag ga ik voor een seminar naar de STT Paulus, ergens ten zuiden van Jakarta. Yusup werkt nu aan deze opleiding (ook Ninik en haar man Yohanes). Na het seminar ga ik met hem mee naar huis. Woensdag plan ik naar SETIA te gaan. En donderdag is er een seminar op de STT Arrabona, ook ten zuiden van Jakarta. Aan deze opleiding werken Marianus en enkele andere ex-docenten van SETIA. Na dit seminar ga ik met Marianus naar huis. Hij en Mariam zijn net die dag 10 jaar getrouwd. Vrijdag vertrek ik ‘s avonds naar Papua. Papua is dus het volgende reisdoel. Na enkele dagen Sentani/Waena reis ik door naar Wamena en naar mijn vroegere woonplaatsen Boma en Kouh. Of het allemaal lukt en in welke volgorde is nog niet duidelijk. Papua vraagt altijd om een grote flexibiliteit. We zullen zien. Half juni vertrek ik weer van Papua. Ik kom terug in Jakarta, maar reis meteen door naar Salatiga op Midden-Java. Daar blijf ik een dag of tien, voor enkele studiedagen in Kampoeng Percik (een studiecentrum mbt – kort gezegd – kerk en cultuur) en een cursus aan de voorgangers van de GKJTU-kerken. Op 22 juni hoop ik weer terug te zijn in Jakarta voor enkele dagen van afrondende werkzaamheden en een seminar op SETIA. Op 27 juni komen vrouw Atsje en zoon Jos in Jakarta aan en hopen we samen te genieten van een paar weken vakantie. De terugreis naar Nederland staat geboekt voor half juli. Dat de reis weer net zo effectief mag zijn als in andere jaren. Waar je ook komt in Indonesië, de boeken van LITINDO vinden een enthousiast onthaal. Mooi om zo bezig te mogen zijn voor het Koninkrijk van God.

Geen stoffige boeken

19-06-2011 15:38

Opnieuw is een LITINDO-boek uitgekomen: Kehendak-Mu Jadi!, de vertaling van H. Westerinks boek over het bidden, Roep Mij aan! Pas enkele weken geleden kwam de vertaling van C. van den Bergs verklaring op Handelingen - Proces om de volken - uit, onder de titel Sungguh Merekalah Umat-Ku!. Weer twee LITINDO-boeken. Hopelijk gaan ze net zo goed lopen als de andere boeken. Vergeleken met een jaar of tien geleden, toen er zoveel mogelijk letters op elke pagina werden gedrukt om het boek maar zo goedkoop mogelijk te maken, wordt nu veel meer aandacht besteed aan het uiterlijk van de boeken. En nog blijft de verkoopprijs mn van de door Bina Kasih uitgegeven boeken laag in vergelijking met die van andere uitgevers.
 
De LITINDO-boeken lijden bepaald geen stoffig bestaan. Hoewel ... In Mamasa hoef ik vanuit het gastenhuis de weg maar over te steken en ik kom op het terrein van het Kantoor van de Gereja Toraja Mamasa. Aan de rand van het terrein, met een aparte toegang vanaf de straat, staan twee winkels, waarvan één een Toko Buku (boekwinkel). Natuurlijk loop ik daar eens even binnen. Netzomin als iemand bijvoorbeeld een stoffenwinkel niet voorbij kan lopen, kan ik maar moeilijk de verleiding van boekwinkels weerstaan ('t is natuurlijk de vraag of dat wel een verleiding is, in ieder geval niet van Satan ... sorry, ik zit nog steeds in het hoofdonderwerp van mijn werkreis: Jezus is Satan de baas). Er zijn een paar klanten in de winkel, onder wie de domina van zondagmorgen. Op een tafel liggen bijbels en liedbundels. En verder? Ik kijk rond en constateer al gauw dat 10% van de aanwezige titels LITINDO-boeken zijn. Wauw! Kom daar bij de boekwinkel van BPK in Jakarta eens om. Daar kom je waarschijnlijk niet eens op 1%. Nou ja, laat ik eerlijk zijn, het totale aantal voorradige titels bedraagt niet meer dan 30, het aantal LITINDO-titels dus 3. Dan liggen er bij BPK toch weer meer. Het is maar hoe je het bekijkt. En verder zitten al die boeken dik onder het stof. Elke keer wanneer er een auto voorbij komt, waait er weer een wolk stuifzand naar binnen door de open deur en de kapotte ramen. Een stel stoffige boeken in een overigens propvolle winkel. Want behalve die boeken heeft deze Toko Buku ook kantoorartikelen, schoenen, lampen en stekkers, en wat niet al te koop. Je moet toch ergens van rondkomen.
 
Op de STT Mamasa ziet het er in de bibliotheek een stuk beter uit. Ze hebben nog lang niet het aantal boeken dat voldoet aan de criteria voor overheidserkenning van de opleiding. Maar de boeken staan keurig ingedeeld in kasten in een schone, goed af te sluiten ruimte. En de studenten willen ook best boeken kopen. Ik ga met een forse bestelling (en het geld ervoor) terug naar Jakarta. Zo helpen zij voorkomen dat de LITINDO-boeken in het magazijn van Uitgeverij Bina Kasih onder een laag stof verdwijnen. En niet alleen zij. Ook op de drie presentaties die ik intussen in Jakarta heb gegeven, georganiseerd door Bina Kasih, is voor miljoenen Rupiahs aan boeken verkocht. Nee, stoffig zijn de LITINDO-boeken bepaald niet.

Vertrouwd in het verre Mamasa

17-06-2011 03:41

The road to Mamasa is pure hell, but at the end you arrive in paradise.

 

In Mamasa, op West-Celebes, zit je echt aan "de einden van de aarde." In Cen­traal- en Zuid-Papua is dat trouwens niet anders. De zendingen van de zogeheten Gereformeerde gezindte hebben Christus' zendingsbevel, kun je wel zeggen, letterlijk uitgevoerd (al zitten ze dichtbij huis ook echt niet stil). Je vraagt je alleen af, hoe zijn ze hier ooit terechtgekomen? Daar zit in de meeste gevallen een heel verhaal achter, dat vaak ook wel ergens beschreven is. Interessant om te lezen langs welke – soms haast onbegaanbare – wegen God deuren opent voor het Evangelie.

 

Terug naar Mamasa. Nou, laat ik eerst maar eens proberen om er te komen. Van Jakarta vlieg ik in ruim twee uur naar Makassar. De volgende dag gaat de reis per auto verder. Eerst een rit van vijf uur langs de westkust naar het Noorden, naar Polewali, waarbij de eerste twee uur aan de weg wordt gewerkt (alvast een voorproefje op het vervolg?). En dan verder naar het Noorden, niet langer langs de kust maar het berg­achtige binnenland in over een smalle, stijgende en steeds slechter wordende weg. Ook de tocht  van Polewali naar Mamasa (90 km) duurt zo'n vijf uur. Tijdens een stop halver­wege bij een 'wegrestaurant' – waar de taaie poot van een kampong­kip met minstens 1.000 vlieg­uren er best ingaat – bereidt een van de vriendelijke, praat­grage mensen me voor op wat me nog te wachten staat: "Al eerder in Mamasa geweest, Mister? Nee? Nou, over een kilometer of tien begint het pas. Dan leer je echt dansen." Met andere woorden: het ergste komt nog. Terwijl we al heel wat hebben gehad aan half opgeruimde aardverschuivingen (als de auto's er maar weer langs kunnen, toch?) en in de gapende afgrond verdwenen stukken asfalt. Bij het ver­trek krijg ik de welgemeende wens mee: "Tuhan memberkati!" (Moge de Heer je zegenen!). Kijk, dat klinkt vertrouwd. Daarmee kom je thuis. Het vervolg van de barre tocht valt me niet eens tegen. Laat de weg zelf pure hell zijn, de uitzichten onderweg zijn vaak indrukwekkend mooi. En overal wonen en werken mensen, langs de weg en op de hellingen. In de dorpen is de weg versmald omdat er overal kleden liggen met daarop rijst, mais, cacao- en koffiebonen. Die liggen in de zon te drogen. Hier wordt geleefd. En hoe ze hier leven, wordt wel duidelijk uit de vele kerkjes (met een haantje op de toren): ze kennen hier God en zijn Zoon, Jezus Christus.

 

Maar dan kom ik tegen de avond Mamasa binnen, in een door bergen omzoomde vallei, met wegen van beton. Het laatste stukje van de urenlange rit zoeven we over de weg. Ik word hartelijk verwel­komd in het gastenhuis van de Gereja Toraja Mamasa (GTM), op een rustig plekje aan de oever van de altijd bruisende rivier de Mamasa. En als ik de dagen daarna rondloop in het stadje en op de Theologische Hogeschool van de GTM mijn LITINDO- programma uitvoer, valt het me op hoe vrien­delijk de mensen hier zijn. Iedereen, van oud tot jong, groet me en wil best een praatje maken.  Wanneer ik in de omgeving wandel, word ik uit­genodigd om binnen te komen en even uit te rusten. Ze vertellen me over hun leven hier, over hun werk, over de kerk waar ze bij horen (alleen al in Mamasa-stad heeft de GTM vijf grote kerkgebouwen). En ja, van hun christen zijn krijg ik ook bepaald een positieve indruk. Tijdens een huis­eredienst die ik min of meer toevallig bijwoon gaat de bespreking van het bijbelgedeelte niet alleen inhoudelijk diep, maar ook in praktische zin: wat leren wij uit de bijbel voor ons eigen leven hier in Mamasa. Natuurlijk, ook hier zijn christenen die niet echt actief zijn, die de kerk­diensten te lang vinden duren en die zich bij kerkelijke activiteiten drukken. Mamasa is zeker geen paradijs. Maar ik voel me hier wel meteen vertrouwd. Om het aangename klimaat, om de prachtige omgeving, maar vooral om de mensen. Het is alsof ik gewoon in Onnen ben. Thuis dus.

 

Volgens zeggen betekent de naam Mamasa (of Mamase): goed zijn voor iemand. Dat geldt zeker voor de rivier Mamasa die door de vallei stroomt en de hele regio grote vruchtbaarheid en gulle opbreng­sten geeft. Maar het geldt ook voor de mensen die hier leven. Dat maak ik op uit de verhalen die ik hoor over vroeger en nu. Maar ik ervaar het ook zelf. "Tuhan memberkati!" Moge de Heer hen (blijven) zegenen. Ik kom hier graag nog eens terug. Daarom neem ik afscheid met een "Tot ziens, Deo volente."

 

Herinnering          

De lange reis van Makassar naar Mamasa roept bij mij herinneringen wakker aan mijn tijd in Papoea (Irian Jaya). Vanuit de kerk van Kouh aan de brede rivier de Digoel had ik ook de zorg voor de kleine gemeente in Tirop aan de bovenloop van de rivier de Moeroep. Niet voor niets heette dat dorp in de volksmond ook Desa Ujung (dorp aan het uiteinde). Je kon er met de boot-met-aanhangmotor alleen komen, als het water extreem hoog was (banjir besar). Van Kouh tot aan de monding van de Moeroep deed je er dan één tot anderhalf uur over, vandaar naar Tirop zeker vier uur. De mensen in Tirop hoorden de ronkende boot al van ver aankomen. Bij aankomst stond de oever dan ook zwart van de mensen. Het hele dorp ontving je. Je was geen moment alleen. Als je een paar dagen later door diezelfde mensen werd uitgezwaaid, omdat je weer terug moest, was het water alweer gezakt tot normaal peil en deed je er, ook al ging je stroomafwaarts, een hele dag over om weer in Kouh te komen. Al die boomwortels, die ondiepten, die versperringen. Je moest de boot er doorheen trekken of ruimte openkappen. Vreselijk. De eerste keer zat ik me op te vreten, weet ik nog: ik had er op gerekend om rond de middag thuis te zijn, dan kon ik nog van alles doen. Tot ik besefte: Stomme Nederlander die ik ben. We moeten altijd iets doen. Waar ben ik eigenlijk mee bezig. Geniet toch van deze over­weldigende natuur. Dit is uniek. Zeker geen hel en ook geen paradijs. Maar wel paradijselijk.

Jezus is Satan en zijn boze geesten de baas

31-05-2011 11:19

De lessen op de Akademi Teologi Reformed in Bengkayang (Kalimantan Barat) beginnen 's morgens om half acht. Maar om zeven uur zie ik de eerste studenten al aankomen. En om kwart over zeven hoor ik ze al zingen. Natuurlijk zijn er altijd een paar laatkomers, maar zo beginnen ze zelf al met de dagopening. Iedere morgen lezen ze een hoofdstuk uit de bijbel, momenteel uit Exodus, bidden ze en zingen enkele liederen. De zeven studenten (2v/5m) hebben bij toer­beurt de leiding. Daarna beginnen de lessen. Het is even wennen aan elkaar, maar de juiste sfeer wordt al gauw gevonden. Het is pret­tig lesgeven aan deze studenten. Er wordt vaak op mijn uitleg gereageerd met opmerkingen en vragen. Zo kan ik gemakkelijk checken of de boodschap overkomt. Tijdens de pauzes maken de meesten graag een praatje, in het leslokaal of onder de koffie bij Sutam in de keuken.

 

Het onderwerp van zowel de lessen op de ATR als van het seminar later in de week is 'de onzichtbare wereld', onder­deel C van het hoofdstuk in de te publiceren Dogma­tik Reformed Ringkas (DDR) over schepping en voorzienigheid. God heeft behalve de zichtbare wereld ook de engelen geschapen, onzichtbare gees­ten van wie een deel in opstand is gekomen. Over die ge­vallen engelen, Satan en zijn boze geesten, gaat het nu vooral. Nader gespecificeerd: over Jezus' overwinning op hen. Hij, de Zoon van God, is hen de baas.

 

Op de ATR behandel ik dit thema vooral exegetisch. Ik gebruik daarbij mijn handleiding Kitab Suci – Untuk Kita! om de studenten systematisch te leren werken. Verder intro­duceer ik drie door LITINDO uitgegeven bijbel­verklaringen: Markus. Injil menurut Petrus (op Marcus), Sungguh Merekalah Umat-Ku (op Handelingen) en Aku Datang Segera (op Openbaring).  Tijdens deze lessen hebben we het niet uitgebreid over hoe je als christen vandaag stand­houdt tegen de verzoekingen van Satan en wat je moet doen wanneer zich duivelse bezetenheid voordoet. Dat komt later op het seminar uitgebreid aan de orde, aan de hand van recente ervaringen op de christelijke SMP (mavo) ter plaatse.

 

Het is van belang, concluderen we, om in te zien dat het bij gevallen van bezetenheid om incidentele excessen gaat, buitengewone voor­vallen die Satan juist gebruikt om de aandacht van zijn 'gewone', 'alledaagse' verzoekingen af te leiden. In feite kun je toch zeggen dat elke zondaar onder invloed van de duivel is, of zelfs in zijn greep. Door concentratie op excessen kun je dat gemakkelijk vergeten en de ogen sluiten voor de stiekeme verleidingen van Satan. Niet alleen bezetenen (in de specifieke betekenis van het woord) maar iedereen moet door Christus worden gered. En vervolgens: als je je geloofsrelatie en communicatie met God via Woord en gebed continu onderhoudt, geef je Satan geen kans en hoef je voor hem ook echt niet bang te zijn. Je beschikt over de juiste wapens: geloof, Woord en gebed. Per slot van rekening zijn ook wij in Christus overwinnaars en daarom niet te verslaan.

 

Het blijkt een gewild onderwerp te zijn, zowel tijdens de lessen als op het seminar. En ook in de gesprekken daarna. Ietwat grof gezegd: het stikt op KalBar van de geesten. De mensen worden erdoor beheerst. Wat wil je ook in een animistische omgeving waarin totaal alles bezield is. Hun angst geldt trouwens meestal de geesten van voorouder, terwijl ze juist daar­voor nu net niet bang hoeven te zijn, want volgens de bijbel zijn die na hun dood niet meer op aarde en kunnen zij de levenden dus ook niet dwarszitten. Maar de duivel houdt via de dukun, de lokale tovenaar cq medicijnman, de mensen natuurlijk graag in zijn greep, rechtstreeks of via zijn boze geesten of menselijke fans.

 

Het is dus nog altijd oorlog, met als inzet de wereld, ook al gaat het tegen een al verslagen vijand. Koning Christus roept ons allemaal onder de wapens. De door Paulus aangeraden geestelijke wapenrusting hebben we echt nodig. Maar, nogmaals, de overwinning is al behaald. De Heiland van de wereld heeft de overste van de wereld al definitief verslagen. Het gaat nu alleen nog om de afronding. Dat is toch een geruststelling. Ook al is de strijd best zwaar.

JAKARTA! JAKARTA!

19-05-2011 16:12

2011 01 – 19 mei 2011

Zo luidt de titel van een boek over Jakarta van, ik meen, Dirk Vlasblom (die ook een dikke pil over Papoea heeft geschreven). Jakarta is een vreselijke stad: chaotisch, vastgelopen, vies, heet enz enz. Je wilt er zo snel mogelijk weer vandaan. Of er helemaal niet zijn. Maar tegelijk is het een heerlijke stad om in rond te dwalen. Overal kom je weer andere mensen tegen. Overal wordt volop geleefd. Overal sta je versteld van de vindingrijkheid van de mensen. Jakarta heeft toch zijn bekoring. Ik kom er graag elk jaar terug. Ook nu weer. Ik heb het gevoel dat ik niet weggeweest ben. Zo vertrouwd is alles om me heen.

Maar intussen zit ik hier al een week en heb al heel wat gedaan:
• Twee boekpresentaties gehouden, een op het Seminari Bethel en een op SETIA, waarbij Uitgeverij Bina Kasih veel boeken heeft verkocht met voor de studenten aardige kortingen.
• Een seminar gegeven over het nieuwe LITINDO-boek Sungguh Merekalah Umat-Ku ([ook] Zij zijn echt mijn volk, de vertaling van Proces om de volken; de Nederlandse titel is verwerkt in de subtitel van het boek); er staan nog twee andere boeken op uitkomen: Kehendak-Mu Jadi! (Laat Uw wil gebeuren!, de vertaling van Roep Mij aan!) en – in de Seri Pembinaan Jemaat (Serie Gemeentetoerusting) – het boek Jemaat yang Mengenal Kitab-Kitab (De gemeente die de Schriften kent, eerder intern uitgekomen onder de titel Kanonik Reformasi).
• Een paar workshops vertalen / editen gedaan en bijgewoond: bij Bina Kasih de wekelijkse Bengkel Editorial bijgewoond, samen met Mariam Waang; en samen met Mariam een stuk van haar vertaalwerk doorgenomen.
• Ook, in het weekend, een aantal vrienden bezocht: de families Waang, Lifire en Koens.
• En last but not least, ik ben met de twee KalBar-broeders Andreas Bantan en Rivhan Sabuna naar de Nederlandse Ambassade geweest om hun visumaanvraag zo mogelijk te bespoedigen, maar helaas, ze moeten gewoon wachten tot 24 mei. En dat terwijl de IRTT-cursus (die heet nu trouwens anders) vandaag begonnen is. Dat is de enige klus tot nu toe die me mislukt is. Jammer.

Gisteren heb ik mij naar de boekwinkel van BPK laten vervoeren in een bajaj, zo’n knetterende en rokende bromtaxi op drie wielen. De chauffeur was een praatgrage oudere man (net als ikzelf, geloof ik), een forse kerel met zo’n gehaakt mutsje op en daaronder een paar twinkelende ogen. Hij moest natuurlijk goed op het verkeer letten, maar bij elk stoplicht zat hij zowat achterstevoren op zijn bankje: “Jij spreekt goed Indonesisch. Hoe komt dat?” (1e stoplicht), “Wat trekt je nu zo, dat je hier elk jaar terugkomt?” (2e stoplicht), “Hoe zit het in Nederland met de seizoenen? En kunnen arme mensen in de winter wel de verwarming betalen (hier hebben ze geen AC)?” (3e stoplicht). We pauzeren even bij een ATM: ik moet wat geld uit de muur trekken. Ik vraag hem of hij mij zo ook weer terug wil brengen, want ik hoef bij BPK alleen maar een stel boeken voor SETIA te regelen. Dat wil hij best. Bij BPK parkeert hij zijn voertuig keurig tussen de auto’s en wacht. Als ik even later weer naar buiten kom, houdt hij glunderend het deurtje voor me open. En daar gaan we weer. Hij zet me keurig voor de deur af. Ik betaal hem en wens hem het beste. Misschien tot ziens. Jammer dat ik geen foto van hem gemaakt heb.

Ja, het is goed om weer in Jakarta te zijn. Maar ik ga vrijdag met net zoveel genoegen naar Kalimantan Barat om daar de vrienden van de GGRI (Bengkayang) en SETIA (Ngabang) te ontmoeten en elkaar te stimuleren tot het mooie werk dat we voor Koning Christus mogen doen.